Ik heb jullie geluk voor ogen: Overweging Kerk aan Zee Muiderberg

online dienst 28 juni 2020 (Jeremia 29,1,4-14)

Lieve mensen, u die allemaal thuis in uw eigen omgeving verbonden bent met ons, en met elkaar, en wij, hier in dit mooie kerkje bij de zee, met u.

Misschien zong u een beetje mee of liet u de woorden door u heen gaan: “Al is mijn stem gebroken, mijn adem zonder kracht, het lied op and’re lippen draagt mij dan door de nacht.”   (lied 657, 2 Liedboek 2013)

Of dit lied vandaag bij uw situatie past, weet ik natuurlijk niet. Maar de ballingen in dat verre land zullen zich er vast in herkend hebben. Ver van huis zaten ze. Ontheemd en ontredderd. En dan komt er post. Een brief van thuis en dat is dan heel welkom. Die werd vast met grote gretigheid gelezen. Maar die brief van de profeet is vandaag ook gericht aan ons.

Profeet zijn is overigens niet gemakkelijk, het is vechten tegen de bierkaai, tegen de klippen op de hoop bewaren. Ook als niemand het nog kan. Want waar anders moeten de mensen de hoop nog vinden, als ze hem zelf niet meer hebben bewaard. Nee, het is maar goed dat er profeten zijn. Om de hoop te bewaren, namens de mensen. Zodat die niet verloren gaat. Maar voor een profeet valt het niet mee om gehoord te worden. Geloven mensen je wel, willen ze het wel horen, zijn ze ervoor in de stemming? Zijn er niet te veel andere geluiden die de woorden van de profeet vertroebelen? Dringt het nog wel door?

Een paar weken geleden las ik het boek: ‘De avond is ongemak’, van Marieke Lucas Rijneveld. Veel geroemde debuut-roman van een jonge auteur.

Het boek is ontroerend en aangrijpend. Zelden kreeg een debuut van een zo jonge auteur, zoveel lof. Het is geschreven in een prachtige taal. Maar het is ook triest. Niet echt een boek om te ontspannen in je achtertuin of op je balkon in de schaduw.

Het verhaal speelt zich af in een beklemmend gelovig milieu. In de hoofdrol een boerengezin, dat melkvee houdt en kaas maakt, meer precies de dochter, van een jaar of 12. In dat streng gelovige gezin lijken de bemoedigende en troostende woorden van de profeten niet te klinken. Nadat een kind bij het schaatsen is verdronken in een wak, blijft alles somber. De ouders komen niet meer verder dan hun verdriet en laten hun andere 3 kinderen min of meer aan hun lot over. De hoofdpersoon, dat meisje van 12 dus, moet zich met haar oudere broer en jongere zusje maar zien te redden.

Het geluk is verloren gegaan met de dood van een van de kinderen en niemand die het nog kon terugvinden. De hoop waarover Jeremia het heeft, heeft het gezin van de 12-jarige verteller van het verhaal niet bereikt. En het loopt niet goed af. Haar leven stopt eigenlijk. Misschien wel de enige lichtheid is het zo nu en dan noemen van de muzikale fruitmand waar kennelijk dan wel een beetje troost uit gevonden kan worden. Dat is het ongemak en het fascinerende tegelijk. Een van de passages die mij erg aangreep lees ik nu voor:  (pag 103 te lezen onder deze link)

Deze passage. Die viel mij direct op en laat mij niet los. Het hele boek laat mij niet los. En ik vroeg me af wat er dan was dat mij niet loslaat. Ik herken me niet in de hoofdpersoon, in ons gezin is nooit een kind overleden, zelfs in de verdere familie niet. Zoveel verdriet heb ik zelf nooit meegemaakt. Ik heb een liefdevolle opvoeding gehad. En die ook zo goed mogelijk aan mijn eigen kinderen gegeven.

Maar ik heb wel veel gezien. Bij anderen die op mijn weg kwamen. En ik weet dat wat in het boek verteld wordt dan misschien extreem is, maar niet uitzonderlijk. Dat er veel tragiek is. En ik heb ook in situaties verkeerd waarin ik zelf degene was die de hoop moest zien te bewaren, omdat vrijwel niemand anders dat nog kon. En dat is niet gemakkelijk.

In het gezin uit het boek klinkt niet de stem van Jeremia en ook geen andere hoopvolle profetieën, waar de Bijbel toch vol mee staat. Bij alle strenggelovigheid, bezoeken van ouderlingen aan huis en regelmatige kerkgang, is deze brief van Jeremia kennelijk nooit gelezen of ter sprake gekomen. Of in ieder geval niet opgevallen. Of was zó niet passend dat deze verdween tussen alle somberheid.

Wat kan Jeremia, wat kunnen zijn collega’s, doen als mensen zelf de hoop en het geluk dreigen te verliezen, of zelfs al verloren zijn. Als ze het dreigen te verliezen, maar nog een restje bewaard hebben, dan is het in elk geval gemakkelijker. Dan kun je nog ergens bij aanhaken, iets wekken. Maar als het verloren is, als er niets meer over is om bij aan te haken, wat dan..  dat lijkt wel het geval bij dat gezin uit het boek. Marieke Lucas Rijneveld laat ons op overtuigende, maar ook schrijnende wijze zien wat er kan gebeuren als mensen er niet in slagen de hoop te bewaren. Maar bij alle tragiek is haar boek wel fascinerend. Maar tegelijk, zo durf ik dan wel te zeggen, blijkt ook hoe nodig profeten als Jeremia zijn.

De grote theoloog Edward Schillebeeckx, erg belangrijk in de jaren die ik studeerde in Nijmegen, gaf zijn beroemde boek, ‘Jezus, het verhaal van een Levende’, een opdracht uit een brief van Paulus mee: “opdat gij niet treurt gelijk anderen die geen hoop hebben.”   (1Thess 4,13)

Op een of andere manier heb ik dat toch altijd voor ogen. Maar wat maakt dan dat ik zo geraakt ben door dit boek. En wat maakte dat ik dacht dat ik dit vandaag zou kunnen leggen tegen de brief van Jeremia aan, die ik ook in dezelfde dagen las met het oog op deze dienst. Ik wist het aanvankelijk niet. En toch ook wel. Want, zo besefte ik later: Dat is wat er kan gebeuren als de woorden van Jeremia, als zijn brief aan de ballingen, zo ver weg en zo treurig, niet bezorgd zou worden. Dan is er niemand die de hoop komt brengen en aanwakkeren, op plaatsen waar deze verloren dreigt te gaan. Althans, dat is de ene kant. Er is ook iets anders:

Want ook uit de woorden van de brief en elders uit Jeremia blijkt dat het God niet onberoerd laat hoe het met de mensen gaat. Integendeel. “Ik zal me door jullie laten vinden, en ik zal in je lot een keer brengen.” lezen we in de brief. God zelf is aan het woord en Jeremia is de boodschapper.

God lijkt aangedaan te zijn door het lot van mensen, ergens anders lezen we zelfs dat God er tranen van in zijn ogen heeft. Dat God weent om wat de mensen moeten meemaken, misschien ook om het verdriet van een gezin als uit dat boek.

Een God die meeleeft met wat de mensen overkomt, elkaar aandoen ook wel. Een God die zo ook dichtbij komt. Dat is wel een God waarbij ik me veilig kan voelen.

Misschien was het bij het lezen van het boek van Marieke Lucas Rijneveld ook wel dàt wat mij zo fascineerde, omdat het zo strijdt met mijn eigen idee van wie/wat God is. Dat het anders moet zijn, niet zó. Zo zonder hoop.  

Omdat door profeten, als boodschappers van God, aangezegd wordt dat er wel een hoopvolle toekomst voor het volk in ballingschap is weggelegd. En dat er zelfs terugkeer mogelijk is. Maar dat het lang zal duren en ondertussen moet je ook zo goed mogelijk leven met elkaar. Huizen bouwen dus en het leven inrichten. Een gezin stichten. Dat er nieuwe generaties zullen komen. Zo zal er toekomst zijn.

Ik heb jullie geluk voor ogen, lezen we. Het zijn prachtige woorden, een hoopvolle belofte. Maar het is geen belofte dat alles vanzelf goed gaat komen. Het is geen belofte dat je niets zal overkomen of dat er geen moeilijkheden zullen zijn.

Lang geleden hoorden de ballingen al dat ze hun eigen leven vorm moesten geven. En niet bij de pakken neer zitten en afwachten. Maar zelf je eigen leven en toekomst in handen nemen.

En als het dan toch zo nu en dan te moeilijk, te zwaar en te veel is, en we de hoop dreigen te verliezen? Dan kunnen we lezen, bijvoorbeeld zo’n oude brief die al vele generaties mensen hoop gegeven heeft. En ons scharen in die lange rij van eeuwen. En weten dat we niet de eersten zijn en ook de laatsten niet. Opdat we weer de hoop terug gaan vinden. En de moed om verder te gaan, met elkaar. En door alles heen ook op elkaar passen en voor elkaar zorgen.

Zo’n brief dus, om te lezen en te herhalen, tot het inslijpt. Net zolang tot we het zelf weer weten en kunnen geloven.   

Zo moge het zijn Carla van der Heijden

Een dikke envelop

Het is al weer een hele tijd geleden dat ik aan het einde van de dag thuis kwam en een dikke envelop in mijn brievenbus vond. Nietsvermoedend maakte ik hem open en ik haalde er een klein pakketje uit en een briefje met de volgende tekst: “Carla, in deze envelop heb je mijn huissleutels gevonden. Je mag dus aannemen dat ik overleden ben.” De afzender had mij in haar testament als executeur aangewezen.

Ik wist even niet wat te doen. Na overleg met een collega belde ik de politie en stapte op de fiets. Bij de woning aangekomen bleek dat de politie al binnengegaan was, met sleutels die de buurvrouw had. Het lichaam van de bewoonster was aangetroffen en ze waren bezig met een onderzoek. Vastgesteld werd dat het overduidelijk om een goed geplande suïcide ging, op een vreedzame manier uitgevoerd. Ik bleef met het lichaam in de woning achter.

Ik belde de uitvaartondernemer en regelde alles wat moest gebeuren. Het was laat in de avond toen ik naar huis kon gaan. De volgende dag sprak ik met enkele buren die vreselijk geschrokken waren, en telefoneerde met mensen waarvan de namen op een lijst stonden. Ook de dagen erna had ik veel contact met mensen die geschokt waren en graag even wilden praten.

Ik nam ook meteen contact op met Pien van der Miessen van Thuis in Boedels, die altijd voor mij de woningontruimingen verzorgt en ik vroeg haar te komen om in het huis van de overledene te bespreken hoe we alles het beste konden aanpakken. Er waren veel spullen waarvan de waarde niet duidelijk was en van enkele dingen was aangegeven dat ze bestemd waren voor bepaalde mensen. Dat moest allemaal zorgvuldig geregeld worden en ik voelde aan dat ik dat niet alleen zou kunnen doen. Ook al omdat ik de overledene tijdens de vele bezoeken die ik aan haar had gebracht in de afgelopen maanden tamelijk goed had leren kennen en haar zelfgekozen dood mij ook aangreep, hoewel ik wel wist dat ze vond dat haar leven voltooid was.

Bij de crematie hield ik een korte toespraak en zei onder meer dit:

“We zijn hier met een paar mensen verzameld rondom X

die zo haar eigen weg is gegaan en ons in leegte achter liet.

En misschien ook wel met vragen.

Vragen naar waarom? en hoe dan?

En misschien ook wel:

Hadden we iets kunnen doen? iets moeten doen? En wat dan?

Hadden we iets kunnen weten, kunnen voorzien?

Kunnen helpen, wellicht?

Ik denk dat jullie, dat wij, niet hadden kunnen helpen.

Niets hadden kunnen doen.

(…)

En ook nu kunnen wij niets anders doen dan hier even schuilen bij elkaar.

Want wij, jullie als buren, die al zolang bij elkaar wonen, moeten ook verder kunnen leven.

Moeten ook een weg vinden om om te kunnen gaan met de keuze die X gemaakt heeft. “

Met een eenvoudig ritueel met rozen gaf ik haar de laatste eer. Later heb ik samen met haar beste vriendin, haar as verstrooid, op een plekje in een bos, waar de zon door het gebladerte scheen.

Carla van der Heijden

De twee zusters

Een oude vrouw had twee dochters. Laten we ze Cato en Suus noemen.

Cato vroeg mij om een kennismakingsgesprek. Ze vertelde dat haar moeder binnenkort zou gaan overlijden en dat zij in het testament genoemd was als executeur. Maar dat zag ze niet zitten. Ze wist niet wat ze zou moeten doen, ze had een drukke baan en ze kon bovendien niet opschieten met Suus. Ze vreesde dat hun broze relatie wel eens helemaal kapot zou gaan als zij zich met de afwikkeling zou gaan bezighouden. Ze zou het immers nooit goed kunnen doen. Liever liet ze alles over aan een deskundige.

Een week of twee later overleed haar moeder. Omdat vader een paar jaar daarvoor was overleden en moeder al enige tijd in een verpleeghuis woonde was er geen huis meer te ontruimen. Al voordat Cato iets kon doen had Suus alle spullen van moeder meegenomen.

Cato en ik gingen samen naar de notaris. Daar vertelde Cato dat ze de afwikkeling aan mij wilde overlaten. En dat ze hoopte dat haar zus daarmee akkoord zou gaan.

De notaris heeft Suus een brief geschreven en ik heb met haar kennisgemaakt. Niet lang daarna had ik een verklaring van erfrecht met daarin het volmacht van de beide zussen.

Suus bracht mij de administratie die ze meegenomen had uit de kamer van moeder. Alles was netjes geordend in mappen. Ik ben later nog naar het huis van Suus gegaan om te zien welke spullen van moeder ze had meegenomen. Ze gaf te kennen dat ze de mooie spullen graag wilde houden. Cato hoefde niets, zo wist ik al. Ik heb de waarde laten taxeren en deze verrekend met het erfdeel van Cato.

Beide zussen hebben gedurende het hele proces van afwikkeling geen contact met elkaar gehad, maar ze werkten allebei wel goed mee. Op mail en WhatsApp berichten werd vlot geantwoord.

Na een klein jaar was alles geregeld en hadden de zussen ieder hun erfdeel. De onderlinge verhouding was intussen niet verbeterd, er was immers geen contact, maar ook niet verslechterd. Er is gedurende het proces van afwikkeling nergens een probleem over geweest. Ik kon met allebei goed opschieten en ze waren na afloop zeer tevreden.

Carla van der Heijden

Net op tijd bij de notaris

In een voorjaar ontving ik een mail: ‘De nalatenschapsplanning moet helemaal van de grond af aan geregeld worden.’ Er stond nog wat meer bij, waaruit ik kon opmaken dat de schrijver waarschijnlijk ernstig ziek was.

Tijdens het kennismakingsgesprek bleek dat er geen familie was. En zo kwam het dat twee maanden later bij de notaris een testament getekend werd waarin ik benoemd werd tot executeur en ook de opdracht had om de uitvaart te regelen. Enkele goede doelen werden als erfgenamen aangewezen.

Daarna hoorde ik niets meer en op mijn mails ontving ik geen antwoord. Wat ongerust geworden besloot ik te bellen. Maar voordat ik dat kon doen, belde zijn buurman mij. Hij had hem zojuist naar een hospice gebracht en mijn visitekaartje gekregen met het verzoek: ‘Bel toch die mevrouw.’

De dag erna meldde ik mij bij het hospice. Hetzelfde hospice als waar ik vrijwilliger geweest was en veel mensen kende. Ik werd hartelijk begroet en zei dat ik voor meneer die gisteren was gebracht de executeur was en de verantwoordelijkheid zou nemen. Ik werd als eerste contactpersoon genoteerd. Daarna ging ik naar hem toe. Hij was blij me te zien en zei: ‘We waren net op tijd met die notaris’. Ik bevestigde dat en zei: ‘Alles is helemaal goed geregeld en we gaan het zo doen, zoals je hebt vastgelegd.’

In de dagen die volgden bezocht ik hem regelmatig en we bespraken zijn wensen over de begrafenis. Hij vertelde welke muziek hem raakte en noemde een verhaal uit de Bijbel dat hij passend vond. Hij was niet kerkelijk, maar wel gelovig, iets wat ik eerder niet wist. En ik zei: ‘Nu je me dit vertelt lijkt het me goed om zelf voor te gaan bij je uitvaart.’ Ja, dat was de bedoeling, hij had op mijn website gezien dat ik ook ritueel begeleider ben. We hebben samen naar de door hem gekozen muziek geluisterd en hij vertelde over het leven dat hij geleefd had. Zijn buren kwamen regelmatig op bezoek. Na twee weken overleed hij, in alle rust, omringt door goede zorgen.

Ondertussen had ik contact gezocht met een bevriende uitvaartondernemer. Het werd een mooie uitvaart, waarbij veel buren aanwezig waren.

Na de uitvaart kon ik vlot aan de slag met de afwikkeling. Doordat er een duidelijk testament was, kon de notaris snel een verklaring van executele afgeven. Bij mijn bezoeken in het hospice had ik wat wachtwoorden en inlogcodes gezien, waardoor ik toegang had tot de laptop en de mobiele telefoon. Dat maakte het werk gemakkelijker.

In de periode erna was ik vaak in zijn huis en had contact met de buurman die waardevolle informatie kon geven over het huis en de diverse verbouwingen die er waren geweest. Een maand of tien later was alles afgerond: Het huis ontruimd en verkocht, de spullen zoveel mogelijk een nieuwe bestemming gegeven, abonnementen opgezegd en rekeningen betaald. De goede doelen hebben hun erfdeel ontvangen en de bankrekeningen zijn gesloten. En natuurlijk is er ondertussen ook een grafsteen geplaatst, volgens de wens van meneer.

Carla van der Heijden

Overweging Kerk aan Zee Muiderberg

15 september 2019 (Exodus 32, 7-14 en Lucas 15, 1-10)

Lieve mensen, bezoekers van dit mooie kerkje

Deze zomer was ik in Brugge, prachtige Middeleeuwse stad met talloze kerken en kloosters. Ook heel oude, zoals deze. In één van die kerken, de Magdalenakerk, die op de nominatie stond om afgebroken te worden omdat er geen levende kerkgemeenschap meer is om haar te onderhouden, heeft zich een ‘werkplaats’ ontwikkeld, een christelijk geïnspireerde ‘labo voor levensbeschouwing en perspectief’. In die vrijwel lege kerk was deze zomer een bijzonder project, onder de titel ‘Joie de vivre’. Binnen kon je van alles doen en meemaken: meditatief, langzaam schommelen in het grote lege middenschip; gaan staan in drie grote lichtbundels, geel, blauw en rood, die maken dat je je eigen schaduw ziet, in alle kleuren van de regenboog; papieren vliegtuigjes maken, met een wens erop, en die vrijelijk in de ruimte laten rond dwarrelen.

Maar voordat je binnenkomt in die ‘joie de vivre’ kom je langs een beeld in brons, bij de ingang van de kerk: een man of vrouw, liggend, slapend misschien op een houten bank, verscholen in een dikke deken. De naam van het beeld: ‘Homeless Jesus’. Een dakloze zwerver? Een vluchteling die alles achterliet om aan oorlogsgeweld of armoede te ontsnappen? Het voelde bepaald ongemakkelijk om toeschouwer te zijn van dat roerloze beeld, een ‘kunstwerk’, bedoeld, op die plek, om iedere voorbijganger te confronteren met het lijden dat mensen doormaken, om een sterk moreel appèl te doen op iedere toevallig passerende toerist.

Naast de grote kleurige doeken die de ingang van de kerk markeerden, is er ook meteen een herinnering aan het feit dat niet alles even vreugdevol is in deze wereld. En dat er nog van alles te doen is om die Joie de vivre ook buiten het kerkgebouw aanwezig te laten zijn.

Uit dat eerste verhaal van vandaag, uit het boek Exodus, blijkt dat er ook toen van alles aan de hand was. En dat het zelfs zo erg is dat God van plan is nu maar eens af te rekenen met de mensen die hardleers zijn. Die niet willen horen.

En dan ontspint zich een gesprek tussen God en Mozes. Een spannend moment. Er lijkt iets van gelijkwaardigheid gesuggereerd te worden.

Want Mozes is het niet eens met de plannen van God en probeert te redden wat er te redden valt en begint aan een pleidooi. Hij treedt als advocaat voor de mensen op. Wel wetend dat het natuurlijk niet allemaal even fraai is wat er steeds gebeurt, hij vergoelijkt dan ook niets. Hij zegt niet dat het niet erg is. Daarmee zou hij zich ook belachelijk maken, want het is wel erg.

Mozes zegt tegen God: het is altijd wat met de mensen en dat zal ook nooit ophouden.

Hoor. Maar ik kan niet horen, zongen we. Ja, dat kan, natuurlijk. Soms kun je het niet. Er kan van alles zijn.
Hoor. Maar ik wil niet horen, gaat het verder.
Zou ik uw woord verstaan,
ik moest uw wegen gaan,
U volgen hier en nu.

We zongen er misschien vlug overheen, dat doe ik zelf ook. Al heb ik dat beeld van die zwerver op dat bankje bij de ingang van de kerk voor ogen. Maar dat is soms ook moeilijk.

Dat weet Mozes. En ook dat er met dat volgen van alles mis gaat. Maar, God, zo zegt Mozes, Dit zijn jouw mensen en je hebt ze toch niet voor niets bevrijdt? Dat was toch heel wat. En als je ze nu vernietigt, dan heb je dat voor niets gedaan. Dat kun je toch niet maken. En bovendien: de Egyptenaren zullen je uitlachen. Dan is er niets meer over van de mensen die je eens hebt bevrijd. En je hebt nog wel beloofd aan onze voorouders, aan Abraham, Isaak en Jacob, dat uit hen veel nakomelingen zullen komen. Nu, die zijn er inmiddels. Dit zijn ze. Jouw mensen. Tja, dit is het. Het is zeker niet volmaakt en er is altijd wat. Dat zou je zo langzamerhand toch moeten weten.

Inderdaad, zo is het nu eenmaal. En bij nader inzien doet God niet wat hij van plan was. Hij laat zich ompraten door Mozes.

Dat vind ik nou zo leuk aan dit verhaal: God laat zich ompraten. Hij of Zij?? want dat weten we niet, laat zich ompraten en zo kan het leven verder gaan. Met mensen die nog steeds niet volmaakt zijn, maar over het algemeen wel hun best doen.

En dat gaat zo als het gaat. Meestal goed en soms niet. We hebben een boek vol verhalen over God met de mensen, opnieuw geboren.

In dat boek van toekomst lezen we hoe het eeuwenlang verder is gegaan, tot er een nieuwe loot aan de stam van Jesse verschijnt, die alles op z’n eigen manier doet. Prachtig uitgetekend door Lucas, als een partijganger van iedereen die niet zomaar zo gemakkelijk in het middelpunt staat. Die zwerver op dat bankje, de arme, de weduwe, de zieke, de tollenaar en zondaar, de Samaritaan, de verdwaalde en de vrouwen. De vrouwen ook, ja, vandaar dat we 2 dezelfde verhalen moeten lezen, een over een verloren schaap en een schapenhoeder die het zoekt. En een over een vrouw die een muntje kwijt is en als ze het gevonden heeft haar vriendinnen bij elkaar roept.

Twee dezelfde verhalen dus, die zonder elkaar niet compleet zijn. Dat we het maar weten.

Deze verhalen vormen de intro tot het prachtige verhaal over de 2 zonen, waarvan er ene op reis gaat en van alles meemaakt en berooid terug komt, terwijl de ander veilig bij vader thuis gebleven is. Maar dat is te veel voor vandaag.

De beide verhalen over het schaap en het muntje vertellen over wat verloren was, van de weg is afgedwaald, niet bij de anderen is gebleven, en mogelijk dus ook wel verkeerde keuzes heeft gemaakt. Maar dat laatste lezen we er misschien te gemakkelijk zelf in, ook al vanwege de slotzin van beide verhalen, over die ene zondaar die tot inkeer komt.

Er staat niet wie of wat een verkeerde keuze heeft gemaakt. Die 99 of die ene, of dat ene muntje, om ook dat andere verhaal erbij te betrekken. Wie of wat verkeerd is en òf er iets verkeerd is, dat staat er niet. En daar kunnen we het dus over hebben. Er staat ook niet of anderen dan wel een goede keuze hebben gemaakt.

Ik heb jarenlang in een Huis van Bewaring gewerkt als geestelijk verzorger. Natuurlijk zijn deze verhalen daar populair. Heel het Lucas evangelie wordt daar veel gelezen, ook al omdat het begint met de geboorte van Jezus en de herders, die ergens aan de rand van de samenleving in het veld bivakkeerden en toch als eersten het goede nieuws hoorden. Overbekende verhalen, en als je daarmee begonnen bent, en jezelf erin herkent hebt, dat vooral, dan lees je gemakkelijk verder. En dan kom je van alles moois tegen: Het verhaal van de barmhartige Samaritaan, van Maria en Martha, want de vrouwen worden steeds uitdrukkelijk genoemd. En van Zacheüs de tollenaar die zich een boom verschool en waar Jezus toen ging eten. En tussen alles door die eeuwige strijd met degenen die alles denken te weten en zichzelf erg belangrijk vinden: de farizeeën en de schriftgeleerden, die niets anders kunnen dan mopperen, omdat Jezus met zondaars eet. Terwijl ondertussen de tollenaars en zondaars steeds weer genoemd worden als belangrijke luisteraars naar de woorden van Jezus.

En zo hebben we dan in een notendop het Evangelie van Lucas. Dat is heel troostrijk als het niet zo goed met je gaat en je zelfs in de gevangenis bent beland. Want je leest over Jezus waarbij je altijd terecht kunt, die niemand buitensluit, en die ons iets laat zien van een God die vergeeft en nieuwe kansen biedt. En dan hoef je nog niet eens zo goed te kunnen pleiten als Mozes deed.

Maar al die verhalen en zeker dit verhaal over dat ene schaap dat gevonden wordt kunnen ook verstikkend werken. Want het is de vraag of iedereen er wel zo blij mee is als hij gevonden wordt en ergens naar meegenomen. Waar je dan geen invloed op hebt. Talloze malen is het uitgebeeld: een herder met een klein schaapje op z’n schouders. Bij mijn kerstkribbe heb ik ook zo’n beeldje. Het ziet er heel lief uit. Maar stel je je eens voor dat je dat schaapje zou zijn?

Het is de vraag of je dan zo blij bent als je weer eens teruggehaald wordt. Misschien was je wel net op weg en iets aan het ontdekken. Iets waardoor je je uitgedaagd voelt, waar je veel van zou kunnen leren, dat je verder zou kunnen brengen. Of niet, want het kan ook op niets uitlopen, maar dat zie je dan wel weer.

De dichter Anton Korteweg, kruipt in de huid van dat ene schaapje en schrijft:
Liever is het mij te dwalen door het dal van
diepe duisternis, in mijzelf verward en
vrezend alle kwaad, verlangend naar
wie ik ontvlucht ben, dan dat ik het moet
meemaken dat je me weervindt, weerloos en met
horens verstrikt in de struiken natuurlijk.

En dat je me dan dragen zou en terug
zou voeren naar de grote kudde waarvan jij
altijd al wist dat ik daarvan een heel,
een heel klein schaapje was, natuurlijk.

Nee, spaar mij de ontferming van
die reddende armen van jou.

            (uit: Tussen twee stilten.’ Amsterdam 1982 Mijn herder is de Heer?)

Hier wordt de terugkeer naar geborgenheid afgewezen en in de plaats komt de wil tot zelfbepaling, de keuze voor ontwikkeling en dynamiek, voor toekomst.

En dat is iets wat misschien toch wel past bij mensen van nu, die hun eigen weg willen gaan, zelf hun plannen trekken en hun toekomst willen vormgeven en vooral onafhankelijk willen zijn.

Nadat Lucas zijn prachtige verhalen optekende is de tijd verder gegaan. Wij hebben een hele geschiedenis van vallen en opstaan achter de rug. Er is veel aangericht dat niet fraai is en zeker niet voor herhaling vatbaar. En nog steeds. Tegenwoordig schrijven we dat niet in de Bijbel maar in de krant, of we plaatsen het online. Zodat we het allemaal weten, alles wat in de krochten van onze aardbol gebeurt. En mogelijk heeft God talloze malen opnieuw gedacht dat het zo niet verder kon. Hij is gewoon verder gegaan met de mensen. Tot op vandaag.

Naast de ingang van de Magdalenakerk in Brugge blijft dat beeld van die slapende zwerver op een bankje. Opdat we kunnen horen. Maar er hangen kleurige doeken in de deuropening. En die lokken je naar binnen. En daar wordt je uitgedaagd de vreugde van het leven te ontdekken, op een wijze die past bij jou.  

Om de ruimte te nemen om gewoon maar jezelf te zijn en ook maar een tijdje rustig te dwalen. En de kans nemen om te groeien. In het vertrouwen dat er Een is die roept, en je angst uiteen jaagt. En dat we toch nooit, uit elkaars genade zullen vallen, uiteindelijk. 

Zo moge het zijn.

Carla van der Heijden

Stelen uit de nalatenschap blijft onbestraft, ofwel: Hoe misdaad loont

Als NalatenschapsMakelaar ontmoet ik zo nu en dan erfgenamen die meemaken dat er uit de nalatenschap wordt gestolen. Soms door een huisgenoot die geen erfgenaam is, soms door een van de erfgenamen die daarna snel gaat verwerpen en met de noorderzon vertrekt en de anderen met een probleem achterlaat. De dief komt er mee weg, zo is mijn ervaring.

Zo kan dat bijvoorbeeld gaan:

Na overlijden van moeder hadden haar zonen geen inzicht in haar financiële situatie en bovendien een slechte relatie met haar huisgenoot. Beneficiair aanvaarden was het veiligste.

Al spoedig bleek dat de huisgenoot niet bereid was alle eigendommen van moeder af te geven. Van de meest waardevolle spullen beweerde hij dat ze van hem waren.

Op de begraafplaats schreeuwde hij de zonen toe dat hij een akte van overlijden nodig had. Die kreeg hij niet. Daardoor kon hij niet de verzekeringspolis innen, wat hij wel geprobeerd had. Maar wel is het hem gelukt om de auto van moeder binnen 2 dagen na haar overlijden op zijn eigen naam over te schrijven. Het is onduidelijk hoe hij dat heeft kunnen doen. Moeder en hij hadden geen samenlevingscontract. Een week of twee later bleek ook dat hij op de dag van overlijden van moeders bankrekening €1000,-  had overgemaakt naar de zijne. Waardoor de bankrekening van moeder een negatief saldo had.

Uiteraard deden de zonen aangifte. Alles werd uitvoerig door de politie opgenomen. Deze meneer werd ook aangehouden en verhoord toen hij rijdend in de auto van moeder werd aangetroffen. Maar de officier van justitie besloot niet te vervolgen. De zonen gingen daartegen in beklag, maar het mocht niet baten. Er werd hen geadviseerd een civiele procedure te starten om de spullen van hun moeder terug te krijgen. Deze zonen hebben echter noch de middelen, noch de mogelijkheid om een civiele procedure te starten. Bovendien hebben ze reden om bang te zijn voor deze meneer.

Bij de bank hoorden ze dat deze meneer niet alleen die 1000 euro van moeders rekening had overgemaakt, maar ook dat hij had geprobeerd een bankpasje op zijn eigen naam te krijgen. Een paar maanden later zag ik de bankafschriften en ontdekte een betaling van de jaarlijkse contributie van de ANWB, ruim €200,-  een maand voor overlijden. Ik vroeg de zonen of ze dat al hadden opgezegd. Nee, dat hadden ze nog niet, maar ze belden meteen. De ANWB bleek echter een week na overlijden al opgezegd. Het restant van de contributie, bijna 200 euro dus, was overgemaakt op de bankrekening van meneer. Toen de ANWB werd gewezen op het feit dat deze meneer geen erfgenaam is en geen recht heeft op dit geld en ook beslist geen akte van overlijden had kunnen overleggen, was hun verweer: “wij doen zoiets altijd in goed vertrouwen”.

Uiteindelijk hebben de zonen van de inboedel vrijwel niets ontvangen en helemaal geen geld. De verzekering dekte de uitvaart. Hoewel er nauwelijks schulden bleken te zijn, maakten ze wel kosten voor de afwikkeling. De bank is hen tegemoet gekomen en heeft de schuld kwijtgescholden, maar meneer heeft wel het geld kunnen houden. Het grootste gedeelte van de spullen is bij hem, hij rijdt in de auto van moeder en heeft ook nog de teruggave van de ANWB contributie naar zichzelf laten overmaken.

In deze situatie is het wel heel duidelijk: Stelen uit een erfenis kun je straffeloos doen. De erfgenamen hebben het nakijken. Misdaad loont.

Carla van der Heijden

Overweging voor ‘De Binnenwaai’ IJburg 30 december 2018

Het is nog maar een paar dagen geleden dat vele mensen overal in feestelijk verlichte kerken bij elkaar kwamen, om te luisteren naar het verhaal van de geboorte, en van de herders. En van die engel. Die engel in stralend licht, die de herders toesprak en zei: wees niet bang, vrees niet…    Dat verhaal, dat nog naklinkt in onze oren en ons hart met vreugde vervulde. En met licht Ja, met licht, dat vooral.

Dat licht dat er is voor alle mensen, ook voor hen die niet naar het verhaal luisteren, waarmee het begon, dat oeroude verhaal dat ons na 2000 jaar nog altijd samen doet komen. Midden in de winter, in de donkerste tijd van het jaar.

Iedereen heeft licht nodig om deze tijd te kunnen doorstaan. In de stad is dat goed te zien.Het Lichtfestival is daar wel de duidelijkste illustratie van. Maar ook al die verlichtte straten, natuurlijk bedoeld om ons de winkels binnen te lokken, maken ook dat deze donkere tijd beter te dragen is.

Heel bijzonder ervaarde ik dat enkele weken geleden toen een meneer die geen familie had en die ik beloofd had te zorgen dat alles rondom en na zijn overlijden goed geregeld zou worden in een hospice werd opgenomen. Ik ging er vaak heen, in die 14 dagen dat hij er was. Uren heb ik bij hem gezeten, aanvankelijk konden we nog praten. En toen dat niet meer ging, las ik wat voor of zei een gebed, of was zomaar stil en probeerde hem te laten voelen dat hij niet alleen was. Hoewel ik hem nog niet zo lang kende, deed het me meer dan ik verwacht had. En bovendien voelde ik misschien ook de verantwoordelijkheid die ik droeg.

Als ik dan op de fiets naar huis ging was het altijd al donker buiten en had ik licht nodig. Zoveel mogelijk licht. Ik maakte een kleine omweg om door de Spiegelstraat te kunnen fietsen, waar een guirlande van licht hangt, waaronder ik een douche nam. Ik keek niet naar de etalages. Ik keek alleen maar naar het licht. En ik knapte er van op. In die paar minuten dat ik daar fietste, onder dat licht, dat op me neerdaalde, ….. als dauw uit de hemel, wil ik er bijna achteraan zingen. Dat heb je als je zolang in koren zingt en tientallen, misschien wel honderden regels van liederen in je hart meedraagt, die voortdurend naar boven komen. Neerdalen als dauw uit de hemel dus, zoals een oud lied zingt, dat traditioneel in de tijd voor kerstmis klinkt. Maar dat gaat over gerechtigheid.

Vandaag lopen de verhalen wat door elkaar. Dat is niet erg, want alles heeft ook met alles te maken. En zo horen we, dat het jonge gezinnetje in de tempel is. Het verhaal van het bezoek van de wijzen slaan we nog even over, dat staat in een ander evangelie en houdt u nog te goed. Vandaag houden we het bij Lucas en die heeft het niet over het bezoek van de wijzen. Lucas heeft het over de herders die de als eerste het Kind mogen ontmoeten en dan zijn daarna de ouderen aan de beurt. De oude Simeon en Hanna, die voortdurend in de tempel zijn. Hoogbejaard is Hanna. En zij herkent het kind als teken van bevrijding, van gerechtigheid.

En dat horen we al in haar naam, want in haar naam resoneert ook de naam van die andere Hanna mee. Die vrouw van lang geleden die geen kind kon krijgen en uiteindelijk wel en de toen moeder werd van de grote profeet Samuel. En een gebed met een zeer revolutionaire tekst uitsprak. Diezelfde woorden die zoveel eeuwen later ook door Maria gezegd werden, het Magnificat.

Het zijn inderdaad zeer grote stappen, dwars door de bijbel, maar als het over licht en bevrijding en gerechtigheid gaat, komen we ook bij de kern van de blijde boodschap terecht. En daar hebben Maria en Hanna niet als enige wat over te zeggen. Al is het lied, hun gezamenlijke lied, misschien wel het meest concrete en daardoor ook het meest revolutionaire. Want revolutionair is het wel. En ook erg bekend. Zo bekend, dat het misschien wel een beetje gedachteloos gezongen zou kunnen worden. En dat is misschien wel het gemakkelijkste. Want bij goed lezen kan het moeilijk worden, ook voor mij:

“Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.”   (Lucas 1,51-53)

Dat is misschien toch niet zo gemakkelijk allemaal. Omdat het niet vrijblijvend is. Maar het evangelie, de blijde boodschap is niet vrijblijvend. En zeker niet alleen maar mooi.

In het Parool las ik een artikel van onze eigen Amsterdamse Hanna, de straatpastor. Ze schrijft hoe dak- en thuislozen rond de kerstdagen op veel plaatsen terecht kunnen voor diners en gezelligheid, en dat het daklozenkoor de Straatklinkers mocht zingen bij de ontsteken van de kerstboom op de Dam. Vol op aandacht voor de vele mensen die geen gezellig thuis hebben om kerstmis te vieren. Maar dat er ook na kerstmis aandacht nodig is voor hen en dat nog veel moet gebeuren om deze mensen te helpen, en een beter leven te geven. En het is de vraag of dat dan allemaal wel net zo vlot en soepel gaat als tijdens de kerstdagen. Het antwoord daarop weten we wel, eigenlijk.

Maar om toch niet de blijven steken in alles wat misschien beter zou moeten en misschien ook wel zou kunnen, en ons daarom ook een gevoel van machteloosheid kan geven, gaan we ook even kijken bij Jesaja. Want de woorden die deze profeet vandaag voor ons heeft zijn werkelijk prachtig:

“Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken. Vreugde over Jeruzalem. Omwille van Sion zal ik niet zwijgen, omwille van Jeruzalem ben ik niet stil, totdat het licht van haar gerechtigheid daagt en de fakkel van haar redding brandt. Alle volken zullen je gerechtigheid zien”   (uit Jesaja 61 en 62)

Zulke woorden, ooit gesproken tot de mensen die terugkeerden uit de Ballingschap en hun leven weer moesten zien op te bouwen. Woorden waar de vreugde, de hoop en het licht vanaf spatten, die hebben wij nodig. Want we moeten ook zelf kunnen leven, zeker in deze tijd, met die hele lange en vaak koude en zeker donkere maand januari voor de boeg. En dan zijn er in het begin nog wel kleurige lichten in de straten, maar zo ergens halverwege verdwijnen ze meestal. En dan moeten we toch verder zien leven. En dan hebben we de verhalen. Die we koesteren, al eeuwenlang en aan elkaar doorvertellen. Verhalen om van te leven. Visioenen en dromen van Jesaja, bijvoorbeeld. Dagelijks lezen is waarschijnlijk niet echt nodig, ze bewaren in je hart wel.

(Tot besluit lees ik psalm 147 voor uit “Laat mij maar zingen”, van Gert Bremer. De Bijbellezingen zijn uit Jesaja (61,10  – 62,3) en het evangelie van Lucas (2,33-40) Dat is het verhaal van het bezoek van Maria en Josef en de pasgeboren Jezus aan de Tempel, alwaar ze ontvangen worden door de oude Simeon en Hanna)

Carla van der Heijden

Ervaringen met de wet BETS

In het najaar van 2017 ging de wet Bescherming Erfgenamen Tegen schulden in, afgekort als de wet BETS. Dat is dus nog niet zo lang geleden en daarom is iedereen benieuwd hoe het nu gaat en hoe deze wet in de praktijk werkt.

Deze wet maakt het mogelijk om een nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden, ook al is daarvoor de wettelijke termijn van drie maanden waar binnen je moet beslissen verstreken. En ook al heb je je gedragen als erfgenaam. Als er na die tijd alsnog schulden blijken te zijn, waarvan je niet tijdig op de hoogte kon zijn, dan kun je dus jezelf beschermen zodat je deze schulden niet uit eigen middelen hoeft te betalen. Je hoeft dan alleen maar te betalen met het geld uit de nalatenschap. En als dat niet genoeg is, wordt de rest kwijtgescholden.

Mijn ervaring is dat deze wet prima werkt en een grote opluchting voor de nabestaanden kan betekenen. Inmiddels heb ik diverse keren met succes een beroep gedaan op deze wet.

De eerste keer ging het om de nalatenschap van iemand die net vóór de ingangsdatum van deze wet overleden was. Nadat alles al bijna was afgewikkeld bleek er een schuld te zijn. Ik besloot het er maar op te wagen, maar wist helemaal niet wat ik moest doen. Niemand had nog ervaring. Ik heb de rechtbank opgebeld om de situatie uit te leggen. Ik kreeg te horen dat ik een brief moest schrijven en bewijsstukken van de schuld moest bijvoegen. Dat heb ik gedaan en toen kwam de akte beneficiaire aanvaarding heel vlot.

Daarna heb ik het steeds zo gedaan. Ik schreef een brief waarin ik de situatie uitlegde. En daarbij verklaarde ik ook waarom er niet tijdig een akte beneficiaire aanvaarding was aangevraagd. Die brief stuurde ik dan samen met de aanvraagformulieren van de erfgenamen naar de rechtbank. Als ze beschikbaar waren, voegde ik bewijsstukken bij. Bij enkele de zaken waar we minder dan een maand te laat waren, waar dus de drie-maandentermijn maar net versteken was, had ik soms geen bewijsstukken om bij te voegen.

Na enige tijd ontving ik dan altijd een akte met de post en dan was de nalatenschap beneficiair aanvaard. Hoe precies de beslissing wordt genomen, weet ik eigenlijk niet. Het lijkt alsof er na een beroep op de wet BETS een gerechtelijke uitspraak zal volgen. En misschien is dat ook wel zo. Maar die wordt mij niet apart gestuurd.

Aan het schrijven van de brief besteed ik overigens veel zorg. Ik heb voor ogen dat er geen herkansing is, maar dat de beslissing wel door mensen genomen zal worden. En dat rechters ook wel zullen begrijpen dat het geen zin heeft om nabestaanden, die niets aan de situatie kunnen doen, met enorme schulden te laten zitten, die ze nooit zullen kunnen betalen. En dat het mijn taak is om goed uit te leggen wat er precies aan de hand is en wat de reden is van deze late aanvraag. De nabestaanden zijn daar zelf niet toe in staat. Zij zijn vooral in paniek en bovendien niet handig in het schrijven van brieven.

Zo heb ik al heel wat mensen kunnen helpen. Zij kunnen nu verder gaan met hun leven zonder een enorme schuld van hun overleden dierbare mee te hoeven torsen. Iets wat voordat we de wet BETS hadden niet mogelijk zou zijn geweest.

Carla van der Heijden

Opgelucht, dankzij de wet BETS

Huilend had ik haar aan de telefoon. De zorgverzekering wilde meer dan 20.000 euro terugvorderen voor teveel uitgekeerde vergoedingen voor zorg aan haar moeder. Haar moeder was nu al weer een maand of 7 geleden overleden. Ze had jarenlang intensief voor haar gezorgd, en dat met haar eigen gezondheid moeten betalen. Na het overlijden had ze alles opgeruimd en de huurwoning in orde gebracht. Omdat haar moeder niets naliet had ze de uitvaart en de rekeningen die er nog waren zelf maar betaald. Toen was haar geld op en daarom trof ze voor de belastingschuld van bijna €400,- een regeling. Ze zou het met €20,- per maand afbetalen.

En nu dus die €20.000,- . Ze was wanhopig. Nooit zou ze dit kunnen betalen. De medewerkster van de zorgverzekering had haar verwonderd gevraagd of ze dan niet beneficiair aanvaard had, aangezien er kennelijk zo weinig baten waren. Nee, dat had ze niet, daar had ze nooit van gehoord. De vriendelijke dame adviseerde haar via Google hulp te zoeken en zo kwam ze bij ons terecht.

Dat was dus 7 maanden na het overlijden van haar moeder en ook nadat ze een regeling met de belastingdienst had getroffen voor het afbetalen van een schuld van haar moeder. Daar is ze kennelijk niet gewezen op de mogelijkheid van beneficiair aanvaarden, waarmee ze dit niet zou hoeven te betalen, terwijl de belastingdienst daar toch heus wel van op de hoogte is en er veelvuldig mee te maken heeft.

Navraag bij de zorgverzekering leverde op dat er bij de zorgindicatie iets fout was gegaan. En eigenlijk ook bij henzelf, door alle declaraties uit te keren, terwijl het maandbudget toch ruim overschreden werd. En het is natuurlijk niet zo handig van hen dat ze daar dan zoveel maanden na overlijden pas achter komen. Dat gaven ze allemaal wel toe. En ze begrepen dat de erfgenamen dit bedrag misschien niet zouden kunnen betalen. Maar de fouten herstellen of het gewoon kwijtschelden konden ze niet. Dat zouden ze natuurlijk wel kunnen als er beneficiair aanvaard was, op vertoon van een akte dus.

Daarom deed ik een beroep op de wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden. Ik schreef een uitgebreide brief naar de rechtbank, en voegde daar, behalve de noodzakelijke papieren, ook de brief van de zorgverzekering bij. Om niets aan het toeval over te laten stapte ik op de fiets om dit alles persoonlijk bij de rechtbank af te geven. De medewerkster die het in ontvangst nam schrok van het bedrag op de brief van de zorgverzekering en uit haar houding meende ik op te maken dat ze dacht: ‘als dit geen reden is voor een beroep op de wet BETS, wat dan wel?’ Ze adviseerde me het bewijs van betaling van de griffiekosten alvast naar de zorgverzekering te sturen.

Maar daarmee hadden we nog geen akte. Die kwam pas na ruim een maand. Een heel spannende maand, dat wel.

Daarna was het nog wel een hele toer om de zorgverzekering zover te krijgen dat ze de schuld echt afboekten en het dossier sloten. Ze gaven zich niet zomaar gewonnen, terwijl zij toch echt ook zelf een grote fout hadden gemaakt en er geen baten in de nalatenschap zaten, om zelfs maar de vereffeningskosten te dekken.

Uiteindelijk kwam alles helemaal in orde en konden de nabestaanden verder met hun leven.

Carla van der Heijden

Toch geen schuld: over een falend incassobureau

Een weduwe, die weinig bezittingen had en leefde van de AOW, overleed. De kinderen constateerden dat het banksaldo samen met de te verwachten uitkering van een polis precies voldoende zou zijn om alle kosten te dekken. Ze regelden de uitvaart, zegden de huur en abonnementen op en betaalden alle rekeningen. Op het laatst stortte één van hen nog 55 euro bij, zodat de laatste rekening, van de grafsteen, betaald kon worden. Ondertussen was de zeer bescheiden inboedel ook opgeruimd

Toen was het bijna 3 maanden verder en waren ze klaar, dachten ze.

Op dat moment viel hen een vreemde automatische afschrijving op, van ruim 45 euro van de bankrekening van hun moeder. Een ingewikkelde naspeuring leverde op dat er een oude schuld zou zijn, waarvan de kinderen nooit iets geweten hadden. Schulden maken paste ook niet bij hun moeder. Die was altijd zeer precies en telde haar geld uit, zodat ze steeds uitkwam met het weinige dat ze had.

Maar er was toch een schuld, van bijna 3500 euro, zo berichtte het incassobureau dat na lang zoeken gevonden was en een A4tje stuurde, zonder uitleg, zonder logo en briefhoofd.

Op dat moment werd ik gebeld en klonk het woord HELP door de telefoon.

De nieuwe wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden was ingegaan in september 2016, maar deze vrouw was in augustus overleden en de erfgenamen hadden zich zeker wel gedragen als heer en meester over de nalatenschap, hoewel zij niets voor zichzelf hadden gehouden, omdat er niets was. Ik schreef een brief aan de rechtbank, voegde de boedellijst bij en verzocht om de nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Dat lukte.

In de twee weken dat we wachtten op de akte hadden de kinderen de administratie van moeder grondig nagespeurd. Stapels papieren waren uit schoenendozen gekomen. Daarbij papieren over de schuld, die in 2002 door een misverstand ontstaan bleek. Keurige brieven van het incassobureau met berekeningen, compleet met briefhoofd en logo. Uit de laatste brief, van voorjaar 2014, kon opgemaakt worden hoeveel schuld er toen nog restte. Dat was beduidend minder dan het bedrag dat er nu nog leek te staan. Bovendien was er in alle berichten aan moeder nooit sprake van rente, terwijl de huidige schuld uitsluitend rente betrof.

Vele mails en telefoontjes met het incassobureau leverden op dat er inderdaad een afspraak was dat moeder bij correcte betaling geen rente hoefde betalen. Jarenlang had ze trouw elke maand ruim 45 euro van haar bescheiden AOW betaald. De schuld bleek eigenlijk al enkele maanden voor haar overlijden afbetaald en ze zouden het dossier per direct sluiten.

Geen sorry. Geen woord over het te veel betaalde bedrag en al helemaal geen aanbod om dat terug te geven aan de erfgenamen. Intussen hadden zij wel kosten gemaakt voor de beneficiaire aanvaarding. Wij confronteerden de schuldeiser hiermee. Toen kwam er wel een aanbod om het te veel betaalde bedrag terug te betalen, als er een verklaring van erfrecht zou kunnen worden overlegd. Die hadden ze niet, nog nergens voor nodig gehad, en de kosten daarvan evenaren het te veel betaalde bedrag. Uiteindelijk namen ze dan wel genoegen met de akte en werd het ten onrechte geïncasseerde bedrag terugbetaald, met inhouding van anderhalve euro aan administratiekosten, dat wel.

Maar ook nu: geen sorry en wel een uitdrukkelijke weigering om tegemoet te komen aan de kosten die de erfgenamen uitsluitend en alleen hadden moeten maken omdat ze een schuld ontdekten, die dus bij nader inzien geen schuld meer was, door een fout van het incassobureau, in een periode dat moeder al te ziek was om dat nog in de gaten te kunnen hebben.

Gelukkig bestaat er de mogelijkheid om tegen falende incassobureaus een klacht in te dienen. Daar is in dit geval wel reden toe.

Deze klacht mondde bijna een jaar later uit in een rechtszaak, waarbij de nabestaanden volledig in het gelijk werden gesteld en het incassobureau een maatregel van berisping werd opgelegd.