Stelen uit de nalatenschap blijft onbestraft, ofwel: Hoe misdaad loont

Als NalatenschapsMakelaar ontmoet ik zo nu en dan erfgenamen die meemaken dat er uit de nalatenschap wordt gestolen. Soms door een huisgenoot die geen erfgenaam is, soms door een van de erfgenamen die daarna snel gaat verwerpen en met de noorderzon vertrekt en de anderen met een probleem achterlaat. De dief komt er mee weg, zo is mijn ervaring.

Zo kan dat bijvoorbeeld gaan:

Na overlijden van moeder hadden haar zonen geen inzicht in haar financiële situatie en bovendien een slechte relatie met haar huisgenoot. Beneficiair aanvaarden was het veiligste.

Al spoedig bleek dat de huisgenoot niet bereid was alle eigendommen van moeder af te geven. Van de meest waardevolle spullen beweerde hij dat ze van hem waren.

Op de begraafplaats schreeuwde hij de zonen toe dat hij een akte van overlijden nodig had. Die kreeg hij niet. Daardoor kon hij niet de verzekeringspolis innen, wat hij wel geprobeerd had. Maar wel is het hem gelukt om de auto van moeder binnen 2 dagen na haar overlijden op zijn eigen naam over te schrijven. Het is onduidelijk hoe hij dat heeft kunnen doen. Moeder en hij hadden geen samenlevingscontract. Een week of twee later bleek ook dat hij op de dag van overlijden van moeders bankrekening €1000,-  had overgemaakt naar de zijne. Waardoor de bankrekening van moeder een negatief saldo had.

Uiteraard deden de zonen aangifte. Alles werd uitvoerig door de politie opgenomen. Deze meneer werd ook aangehouden en verhoord toen hij rijdend in de auto van moeder werd aangetroffen. Maar de officier van justitie besloot niet te vervolgen. De zonen gingen daartegen in beklag, maar het mocht niet baten. Er werd hen geadviseerd een civiele procedure te starten om de spullen van hun moeder terug te krijgen. Deze zonen hebben echter noch de middelen, noch de mogelijkheid om een civiele procedure te starten. Bovendien hebben ze reden om bang te zijn voor deze meneer.

Bij de bank hoorden ze dat deze meneer niet alleen die 1000 euro van moeders rekening had overgemaakt, maar ook dat hij had geprobeerd een bankpasje op zijn eigen naam te krijgen. Een paar maanden later zag ik de bankafschriften en ontdekte een betaling van de jaarlijkse contributie van de ANWB, ruim €200,-  een maand voor overlijden. Ik vroeg de zonen of ze dat al hadden opgezegd. Nee, dat hadden ze nog niet, maar ze belden meteen. De ANWB bleek echter een week na overlijden al opgezegd. Het restant van de contributie, bijna 200 euro dus, was overgemaakt op de bankrekening van meneer. Toen de ANWB werd gewezen op het feit dat deze meneer geen erfgenaam is en geen recht heeft op dit geld en ook beslist geen akte van overlijden had kunnen overleggen, was hun verweer: “wij doen zoiets altijd in goed vertrouwen”.

Uiteindelijk hebben de zonen van de inboedel vrijwel niets ontvangen en helemaal geen geld. De verzekering dekte de uitvaart. Hoewel er nauwelijks schulden bleken te zijn, maakten ze wel kosten voor de afwikkeling. De bank is hen tegemoet gekomen en heeft de schuld kwijtgescholden, maar meneer heeft wel het geld kunnen houden. Het grootste gedeelte van de spullen is bij hem, hij rijdt in de auto van moeder en heeft ook nog de teruggave van de ANWB contributie naar zichzelf laten overmaken.

In deze situatie is het wel heel duidelijk: Stelen uit een erfenis kun je straffeloos doen. De erfgenamen hebben het nakijken. Misdaad loont.

Carla van der Heijden

Overweging voor ‘De Binnenwaai’ IJburg 30 december 2018

Het is nog maar een paar dagen geleden dat vele mensen overal in feestelijk verlichte kerken bij elkaar kwamen, om te luisteren naar het verhaal van de geboorte, en van de herders. En van die engel. Die engel in stralend licht, die de herders toesprak en zei: wees niet bang, vrees niet…    Dat verhaal, dat nog naklinkt in onze oren en ons hart met vreugde vervulde. En met licht Ja, met licht, dat vooral.

Dat licht dat er is voor alle mensen, ook voor hen die niet naar het verhaal luisteren, waarmee het begon, dat oeroude verhaal dat ons na 2000 jaar nog altijd samen doet komen. Midden in de winter, in de donkerste tijd van het jaar.

Iedereen heeft licht nodig om deze tijd te kunnen doorstaan. In de stad is dat goed te zien.Het Lichtfestival is daar wel de duidelijkste illustratie van. Maar ook al die verlichtte straten, natuurlijk bedoeld om ons de winkels binnen te lokken, maken ook dat deze donkere tijd beter te dragen is.

Heel bijzonder ervaarde ik dat enkele weken geleden toen een meneer die geen familie had en die ik beloofd had te zorgen dat alles rondom en na zijn overlijden goed geregeld zou worden in een hospice werd opgenomen. Ik ging er vaak heen, in die 14 dagen dat hij er was. Uren heb ik bij hem gezeten, aanvankelijk konden we nog praten. En toen dat niet meer ging, las ik wat voor of zei een gebed, of was zomaar stil en probeerde hem te laten voelen dat hij niet alleen was. Hoewel ik hem nog niet zo lang kende, deed het me meer dan ik verwacht had. En bovendien voelde ik misschien ook de verantwoordelijkheid die ik droeg.

Als ik dan op de fiets naar huis ging was het altijd al donker buiten en had ik licht nodig. Zoveel mogelijk licht. Ik maakte een kleine omweg om door de Spiegelstraat te kunnen fietsen, waar een guirlande van licht hangt, waaronder ik een douche nam. Ik keek niet naar de etalages. Ik keek alleen maar naar het licht. En ik knapte er van op. In die paar minuten dat ik daar fietste, onder dat licht, dat op me neerdaalde, ….. als dauw uit de hemel, wil ik er bijna achteraan zingen. Dat heb je als je zolang in koren zingt en tientallen, misschien wel honderden regels van liederen in je hart meedraagt, die voortdurend naar boven komen. Neerdalen als dauw uit de hemel dus, zoals een oud lied zingt, dat traditioneel in de tijd voor kerstmis klinkt. Maar dat gaat over gerechtigheid.

Vandaag lopen de verhalen wat door elkaar. Dat is niet erg, want alles heeft ook met alles te maken. En zo horen we, dat het jonge gezinnetje in de tempel is. Het verhaal van het bezoek van de wijzen slaan we nog even over, dat staat in een ander evangelie en houdt u nog te goed. Vandaag houden we het bij Lucas en die heeft het niet over het bezoek van de wijzen. Lucas heeft het over de herders die de als eerste het Kind mogen ontmoeten en dan zijn daarna de ouderen aan de beurt. De oude Simeon en Hanna, die voortdurend in de tempel zijn. Hoogbejaard is Hanna. En zij herkent het kind als teken van bevrijding, van gerechtigheid.

En dat horen we al in haar naam, want in haar naam resoneert ook de naam van die andere Hanna mee. Die vrouw van lang geleden die geen kind kon krijgen en uiteindelijk wel en de toen moeder werd van de grote profeet Samuel. En een gebed met een zeer revolutionaire tekst uitsprak. Diezelfde woorden die zoveel eeuwen later ook door Maria gezegd werden, het Magnificat.

Het zijn inderdaad zeer grote stappen, dwars door de bijbel, maar als het over licht en bevrijding en gerechtigheid gaat, komen we ook bij de kern van de blijde boodschap terecht. En daar hebben Maria en Hanna niet als enige wat over te zeggen. Al is het lied, hun gezamenlijke lied, misschien wel het meest concrete en daardoor ook het meest revolutionaire. Want revolutionair is het wel. En ook erg bekend. Zo bekend, dat het misschien wel een beetje gedachteloos gezongen zou kunnen worden. En dat is misschien wel het gemakkelijkste. Want bij goed lezen kan het moeilijk worden, ook voor mij:

“Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.”   (Lucas 1,51-53)

Dat is misschien toch niet zo gemakkelijk allemaal. Omdat het niet vrijblijvend is. Maar het evangelie, de blijde boodschap is niet vrijblijvend. En zeker niet alleen maar mooi.

In het Parool las ik een artikel van onze eigen Amsterdamse Hanna, de straatpastor. Ze schrijft hoe dak- en thuislozen rond de kerstdagen op veel plaatsen terecht kunnen voor diners en gezelligheid, en dat het daklozenkoor de Straatklinkers mocht zingen bij de ontsteken van de kerstboom op de Dam. Vol op aandacht voor de vele mensen die geen gezellig thuis hebben om kerstmis te vieren. Maar dat er ook na kerstmis aandacht nodig is voor hen en dat nog veel moet gebeuren om deze mensen te helpen, en een beter leven te geven. En het is de vraag of dat dan allemaal wel net zo vlot en soepel gaat als tijdens de kerstdagen. Het antwoord daarop weten we wel, eigenlijk.

Maar om toch niet de blijven steken in alles wat misschien beter zou moeten en misschien ook wel zou kunnen, en ons daarom ook een gevoel van machteloosheid kan geven, gaan we ook even kijken bij Jesaja. Want de woorden die deze profeet vandaag voor ons heeft zijn werkelijk prachtig:

“Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken. Vreugde over Jeruzalem. Omwille van Sion zal ik niet zwijgen, omwille van Jeruzalem ben ik niet stil, totdat het licht van haar gerechtigheid daagt en de fakkel van haar redding brandt. Alle volken zullen je gerechtigheid zien”   (uit Jesaja 61 en 62)

Zulke woorden, ooit gesproken tot de mensen die terugkeerden uit de Ballingschap en hun leven weer moesten zien op te bouwen. Woorden waar de vreugde, de hoop en het licht vanaf spatten, die hebben wij nodig. Want we moeten ook zelf kunnen leven, zeker in deze tijd, met die hele lange en vaak koude en zeker donkere maand januari voor de boeg. En dan zijn er in het begin nog wel kleurige lichten in de straten, maar zo ergens halverwege verdwijnen ze meestal. En dan moeten we toch verder zien leven. En dan hebben we de verhalen. Die we koesteren, al eeuwenlang en aan elkaar doorvertellen. Verhalen om van te leven. Visioenen en dromen van Jesaja, bijvoorbeeld. Dagelijks lezen is waarschijnlijk niet echt nodig, ze bewaren in je hart wel.

(Tot besluit lees ik psalm 147 voor uit “Laat mij maar zingen”, van Gert Bremer. De Bijbellezingen zijn uit Jesaja (61,10  – 62,3) en het evangelie van Lucas (2,33-40) Dat is het verhaal van het bezoek van Maria en Josef en de pasgeboren Jezus aan de Tempel, alwaar ze ontvangen worden door de oude Simeon en Hanna)

Carla van der Heijden

Ervaringen met de wet BETS

In het najaar van 2017 ging de wet Bescherming Erfgenamen Tegen schulden in, afgekort als de wet BETS. Dat is dus nog niet zo lang geleden en daarom is iedereen benieuwd hoe het nu gaat en hoe deze wet in de praktijk werkt.

Deze wet maakt het mogelijk om een nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden, ook al is daarvoor de wettelijke termijn van drie maanden waar binnen je moet beslissen verstreken. En ook al heb je je gedragen als erfgenaam. Als er na die tijd alsnog schulden blijken te zijn, waarvan je niet tijdig op de hoogte kon zijn, dan kun je dus jezelf beschermen zodat je deze schulden niet uit eigen middelen hoeft te betalen. Je hoeft dan alleen maar te betalen met het geld uit de nalatenschap. En als dat niet genoeg is, wordt de rest kwijtgescholden.

Mijn ervaring is dat deze wet prima werkt en een grote opluchting voor de nabestaanden kan betekenen. Inmiddels heb ik diverse keren met succes een beroep gedaan op deze wet.

De eerste keer ging het om de nalatenschap van iemand die net vóór de ingangsdatum van deze wet overleden was. Nadat alles al bijna was afgewikkeld bleek er een schuld te zijn. Ik besloot het er maar op te wagen, maar wist helemaal niet wat ik moest doen. Niemand had nog ervaring. Ik heb de rechtbank opgebeld om de situatie uit te leggen. Ik kreeg te horen dat ik een brief moest schrijven en bewijsstukken van de schuld moest bijvoegen. Dat heb ik gedaan en toen kwam de akte beneficiaire aanvaarding heel vlot.

Daarna heb ik het steeds zo gedaan. Ik schreef een brief waarin ik de situatie uitlegde. En daarbij verklaarde ik ook waarom er niet tijdig een akte beneficiaire aanvaarding was aangevraagd. Die brief stuurde ik dan samen met de aanvraagformulieren van de erfgenamen naar de rechtbank. Als ze beschikbaar waren, voegde ik bewijsstukken bij. Bij enkele de zaken waar we minder dan een maand te laat waren, waar dus de drie-maandentermijn maar net versteken was, had ik soms geen bewijsstukken om bij te voegen.

Na enige tijd ontving ik dan altijd een akte met de post en dan was de nalatenschap beneficiair aanvaard. Hoe precies de beslissing wordt genomen, weet ik eigenlijk niet. Het lijkt alsof er na een beroep op de wet BETS een gerechtelijke uitspraak zal volgen. En misschien is dat ook wel zo. Maar die wordt mij niet apart gestuurd.

Aan het schrijven van de brief besteed ik overigens veel zorg. Ik heb voor ogen dat er geen herkansing is, maar dat de beslissing wel door mensen genomen zal worden. En dat rechters ook wel zullen begrijpen dat het geen zin heeft om nabestaanden, die niets aan de situatie kunnen doen, met enorme schulden te laten zitten, die ze nooit zullen kunnen betalen. En dat het mijn taak is om goed uit te leggen wat er precies aan de hand is en wat de reden is van deze late aanvraag. De nabestaanden zijn daar zelf niet toe in staat. Zij zijn vooral in paniek en bovendien niet handig in het schrijven van brieven.

Zo heb ik al heel wat mensen kunnen helpen. Zij kunnen nu verder gaan met hun leven zonder een enorme schuld van hun overleden dierbare mee te hoeven torsen. Iets wat voordat we de wet BETS hadden niet mogelijk zou zijn geweest.

Carla van der Heijden

Opgelucht, dankzij de wet BETS

Huilend had ik haar aan de telefoon. De zorgverzekering wilde meer dan 20.000 euro terugvorderen voor teveel uitgekeerde vergoedingen voor zorg aan haar moeder. Haar moeder was nu al weer een maand of 7 geleden overleden. Ze had jarenlang intensief voor haar gezorgd, en dat met haar eigen gezondheid moeten betalen. Na het overlijden had ze alles opgeruimd en de huurwoning in orde gebracht. Omdat haar moeder niets naliet had ze de uitvaart en de rekeningen die er nog waren zelf maar betaald. Toen was haar geld op en daarom trof ze voor de belastingschuld van bijna €400,- een regeling. Ze zou het met €20,- per maand afbetalen.

En nu dus die €20.000,- . Ze was wanhopig. Nooit zou ze dit kunnen betalen. De medewerkster van de zorgverzekering had haar verwonderd gevraagd of ze dan niet beneficiair aanvaard had, aangezien er kennelijk zo weinig baten waren. Nee, dat had ze niet, daar had ze nooit van gehoord. De vriendelijke dame adviseerde haar via Google hulp te zoeken en zo kwam ze bij ons terecht.

Dat was dus 7 maanden na het overlijden van haar moeder en ook nadat ze een regeling met de belastingdienst had getroffen voor het afbetalen van een schuld van haar moeder. Daar is ze kennelijk niet gewezen op de mogelijkheid van beneficiair aanvaarden, waarmee ze dit niet zou hoeven te betalen, terwijl de belastingdienst daar toch heus wel van op de hoogte is en er veelvuldig mee te maken heeft.

Navraag bij de zorgverzekering leverde op dat er bij de zorgindicatie iets fout was gegaan. En eigenlijk ook bij henzelf, door alle declaraties uit te keren, terwijl het maandbudget toch ruim overschreden werd. En het is natuurlijk niet zo handig van hen dat ze daar dan zoveel maanden na overlijden pas achter komen. Dat gaven ze allemaal wel toe. En ze begrepen dat de erfgenamen dit bedrag misschien niet zouden kunnen betalen. Maar de fouten herstellen of het gewoon kwijtschelden konden ze niet. Dat zouden ze natuurlijk wel kunnen als er beneficiair aanvaard was, op vertoon van een akte dus.

Daarom deed ik een beroep op de wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden. Ik schreef een uitgebreide brief naar de rechtbank, en voegde daar, behalve de noodzakelijke papieren, ook de brief van de zorgverzekering bij. Om niets aan het toeval over te laten stapte ik op de fiets om dit alles persoonlijk bij de rechtbank af te geven. De medewerkster die het in ontvangst nam schrok van het bedrag op de brief van de zorgverzekering en uit haar houding meende ik op te maken dat ze dacht: ‘als dit geen reden is voor een beroep op de wet BETS, wat dan wel?’ Ze adviseerde me het bewijs van betaling van de griffiekosten alvast naar de zorgverzekering te sturen.

Maar daarmee hadden we nog geen akte. Die kwam pas na ruim een maand. Een heel spannende maand, dat wel.

Daarna was het nog wel een hele toer om de zorgverzekering zover te krijgen dat ze de schuld echt afboekten en het dossier sloten. Ze gaven zich niet zomaar gewonnen, terwijl zij toch echt ook zelf een grote fout hadden gemaakt en er geen baten in de nalatenschap zaten, om zelfs maar de vereffeningskosten te dekken.

Uiteindelijk kwam alles helemaal in orde en konden de nabestaanden verder met hun leven.

Carla van der Heijden

Toch geen schuld: over een falend incassobureau

Een weduwe, die weinig bezittingen had en leefde van de AOW, overleed. De kinderen constateerden dat het banksaldo samen met de te verwachten uitkering van een polis precies voldoende zou zijn om alle kosten te dekken. Ze regelden de uitvaart, zegden de huur en abonnementen op en betaalden alle rekeningen. Op het laatst stortte één van hen nog 55 euro bij, zodat de laatste rekening, van de grafsteen, betaald kon worden. Ondertussen was de zeer bescheiden inboedel ook opgeruimd

Toen was het bijna 3 maanden verder en waren ze klaar, dachten ze.

Op dat moment viel hen een vreemde automatische afschrijving op, van ruim 45 euro van de bankrekening van hun moeder. Een ingewikkelde naspeuring leverde op dat er een oude schuld zou zijn, waarvan de kinderen nooit iets geweten hadden. Schulden maken paste ook niet bij hun moeder. Die was altijd zeer precies en telde haar geld uit, zodat ze steeds uitkwam met het weinige dat ze had.

Maar er was toch een schuld, van bijna 3500 euro, zo berichtte het incassobureau dat na lang zoeken gevonden was en een A4tje stuurde, zonder uitleg, zonder logo en briefhoofd.

Op dat moment werd ik gebeld en klonk het woord HELP door de telefoon.

De nieuwe wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden was ingegaan in september 2016, maar deze vrouw was in augustus overleden en de erfgenamen hadden zich zeker wel gedragen als heer en meester over de nalatenschap, hoewel zij niets voor zichzelf hadden gehouden, omdat er niets was. Ik schreef een brief aan de rechtbank, voegde de boedellijst bij en verzocht om de nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Dat lukte.

In de twee weken dat we wachtten op de akte hadden de kinderen de administratie van moeder grondig nagespeurd. Stapels papieren waren uit schoenendozen gekomen. Daarbij papieren over de schuld, die in 2002 door een misverstand ontstaan bleek. Keurige brieven van het incassobureau met berekeningen, compleet met briefhoofd en logo. Uit de laatste brief, van voorjaar 2014, kon opgemaakt worden hoeveel schuld er toen nog restte. Dat was beduidend minder dan het bedrag dat er nu nog leek te staan. Bovendien was er in alle berichten aan moeder nooit sprake van rente, terwijl de huidige schuld uitsluitend rente betrof.

Vele mails en telefoontjes met het incassobureau leverden op dat er inderdaad een afspraak was dat moeder bij correcte betaling geen rente hoefde betalen. Jarenlang had ze trouw elke maand ruim 45 euro van haar bescheiden AOW betaald. De schuld bleek eigenlijk al enkele maanden voor haar overlijden afbetaald en ze zouden het dossier per direct sluiten.

Geen sorry. Geen woord over het te veel betaalde bedrag en al helemaal geen aanbod om dat terug te geven aan de erfgenamen. Intussen hadden zij wel kosten gemaakt voor de beneficiaire aanvaarding. Wij confronteerden de schuldeiser hiermee. Toen kwam er wel een aanbod om het te veel betaalde bedrag terug te betalen, als er een verklaring van erfrecht zou kunnen worden overlegd. Die hadden ze niet, nog nergens voor nodig gehad, en de kosten daarvan evenaren het te veel betaalde bedrag. Uiteindelijk namen ze dan wel genoegen met de akte en werd het ten onrechte geïncasseerde bedrag terugbetaald, met inhouding van anderhalve euro aan administratiekosten, dat wel.

Maar ook nu: geen sorry en wel een uitdrukkelijke weigering om tegemoet te komen aan de kosten die de erfgenamen uitsluitend en alleen hadden moeten maken omdat ze een schuld ontdekten, die dus bij nader inzien geen schuld meer was, door een fout van het incassobureau, in een periode dat moeder al te ziek was om dat nog in de gaten te kunnen hebben.

Gelukkig bestaat er de mogelijkheid om tegen falende incassobureaus een klacht in te dienen. Daar is in dit geval wel reden toe.

Deze klacht mondde bijna een jaar later uit in een rechtszaak, waarbij de nabestaanden volledig in het gelijk werden gesteld en het incassobureau een maatregel van berisping werd opgelegd.

Malafide incassobureaus

Een NalatenschapsMakelaar heeft regelmatig te maken met incassobureaus. Niet omdat onze klanten niet zouden betalen, dat is nooit het geval, maar wel omdat een overledene schulden kan hebben die uitstaan bij incassobureaus. De nabestaanden moeten dat oplossen. Gewoonlijk wordt de nalatenschap dan beneficiair aanvaard en afgewikkeld. Daarvoor moeten de schuldeisers aangeschreven worden. Het benaderen van incassobureaus laten nabestaanden vaak over aan de NalatenschapsMakelaar.

Er zijn heel veel incassobureaus, die allemaal willen verdienen aan mensen met schulden. Een gedeelte van hen is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen, het NVI (http://www.nvio.nl/) Die hebben een keurmerk en moeten zich aan een gedragscode houden.

Maar er zijn ook incassobureaus die daar niet bij zijn aangesloten. Bij zo’n bureau kan het zijn dat de kosten die in rekening gebracht worden te hoog zijn, soms zelfs veel te hoog.

Volgens de wet mag een incassobureau het volgende percentage aan incassokosten over de hoofdsom berekenen:

Hoofdsom                                                    Maximale incassokosten       

over de eerste € 2500                                15% (minimaal € 40)

over de volgende € 2500                          10%

over de volgende € 5000                          5%

over de volgende € 190000                     1%

over het meerdere                                     0,5% (max. totaal € 6775)

Het volgende is hierbij nog van belang:

  • Het maximum aan incassokosten geldt ongeacht hoe de kosten worden genoemd. Bijvoorbeeld: administratiekosten, registratiekosten, aanmaankosten, buitengerechtelijke kosten.
  • Indien de opdrachtgever zelf al aanmaankosten heeft berekend en het incassobureau brengt ook kosten in rekening, dan geldt het maximum voor het totaalbedrag.

Meer informatie:  www.schuldinfo.nl/incassokosten

Ik had te maken met zo’n malafide bureau. Ze brachten ruim 30% kosten in rekening, meer dan dubbel zo veel als wettelijk is toegestaan. Bij het Juridisch Loket kreeg ik het advies om een aangetekende brief naar dat bureau te sturen, en daarin te schrijven dat ze te veel kosten vragen en zelf uit te rekenen welk bedrag wel gevraagd mag worden. En dat bedrag onmiddellijk over te maken. De kans dat je daarna nog iets hoort van dat bureau is gering.

Dit alles geldt natuurlijk alleen als er ruimschoots voldoende is. Als er niet genoeg is, krijgt het incassobureau een evenredig deel van het bedrag waar ze wel recht op hebben. En als er niets is om te betalen, krijgt ook het incassobureau niets. Maar dan nog is het goed om een bureau dat te veel vraagt te laten weten wat de wettelijke regels zijn. Wellicht beteren ze hun leven en worden er in de toekomst geen mensen meer slachtoffer van hun praktijken, die we niet anders kunnen noemen dan oplichterij.

Ik heb dat malafide bureau met veel genoegen aangepakt, en mijn klanten daarmee zeer geholpen. Maar het zou beter zijn als het niet nodig was geweest.

Carla van der Heijden is NalatenschapsMakelaar

Liep ik te dromen…

Een van de juweeltjes die Thom Jansen* gemaakt heeft is: ‘En het werd avond en morgen’ op tekst van Huub Oosterhuis. Ooit opgedragen aan zijn geliefde, maar nog altijd graag gezongen.

Aan liederen die bestemd zijn voor de liturgie worden speciale eisen gesteld. Ze moeten namelijk geschikt zijn om uitgevoerd te worden door Podium en Zaal, zoals Bernard Huijbers** stelde. Voor de gemeente moet het goed mee te zingen zijn, terwijl tegelijk het koor voldoende uitgedaagd wordt.

Bij dit lied is dat zeker het geval. De koorgedeelten vormen een bijzonder zangspel tussen mannen en vrouwen. De stemmen klinken afzonderlijk, dan weer samen, eenstemmig of meerstemmig, in een wonderschone opbouw en afwisseling. Vooral het tweede koorstuk, dat begint met een eenstemmige zangregel van de mannen: ‘In spleten van rotsen zat ik verscholen te denken: “ik weet niet meer wat.”’ Waarop de vrouwen antwoorden: ‘In tuinen vol vogels liep ik te fluiten, te dromen: “ik weet niet meer wat.”’

Dan begint het spel van elkaar opzwepende stemmen, tot het uitloopt in wat misschien wel de mooiste akkoordklank is die je als koor kunt vormen. Je hebt de neiging om het te laten doorklinken, de toon die je zingt aan te houden, zolang je adem hebt. Met deze klank wil je eigenlijk niet stoppen. Zelfs de sterrenhemel van de Dominicus gaat meedoen en geeft haar eigen klank terug.

En dan, als dit allemaal lukt, en dat is alleen zo als iedereen op dat moment precies weet wat we samen aan het doen zijn en niemand ‘loopt te dromen’, als dat ene moment van gezamenlijke concentratie daar is, dan volgt de eerste ontlading in het zingen van het refrein door het koor à capella, zonder begeleiding dus, als het ware vanzelf. Die ene klank zindert het hele refrein na en behoedt het koor voor zakken, iets dat zo gemakkelijk kan gebeuren bij het zingen zonder begeleiding. Maar op vleugels van die klank blijft het koor nu op toon.

En aan het eind, als de piano begint te spelen, volgt de tweede ontlading. Daarna maakt de gemeente het lied af terwijl het koor nog even na droomt en weer opnieuw ervaren heeft dat dat, wat we in een kostbaar moment samen tot stand gebracht hebben, groter is dan wij.

Carla van der Heijden zingt in het koor van de Dominicus Amsterdam en is lid van de webredactie.

*)Thom Jansen is al ruim 40 jaar als musicus verbonden aan de Dominicus           **)Bernard Huijbers is bekend geworden als componist van Nederlandstalige kerkmuziek

Een zorg minder, maar de kinderen maken zich geen zorgen

Als NalatenschapsMakelaar maak ik mee dat oudere mensen afspraken willen maken met de bedoeling het hun nabestaanden, hun kinderen, straks gemakkelijker te maken. Zij zelf weten uit ervaring hoe lastig het afwikkelen van een nalatenschap kan zijn. Als er niets vastligt weten nabestaanden vaak niet wat ze moeten doen. Soms moeten ze lang zoeken om de juiste papieren te vinden. Er kan onenigheid ontstaan en een enkele keer worden verhoudingen blijvend verstoord. Dat alles willen ouderen hun kinderen besparen en daarom nemen ze contact op met de NalatenschapsMakelaar.

Als ze na een kennismaking besluiten dat de mogelijkheden die wij bieden, goed aansluiten bij wat zij willen, gaan ze in overleg met hun (volwassen) kinderen. Maar dan blijkt dat zij hierover niet willen nadenken. Ze zeggen tegen hun ouders: ‘Zo ver moet je nog niet denken.’ en ‘Het is nog lang niet aan de orde.’ of ‘Tegen die tijd zien we wel. Maak je geen zorgen, het komt wel goed’.

De kinderen hebben nog nooit meegemaakt dat ze een erfenis moesten afwikkelen en weten daarom niets van de moeilijkheden die je kunt tegenkomen. Ze hebben niet de ervaring van de ouders. Bovendien leiden ze een druk leven en bezig zijn met de eindigheid ervan past daar niet in, ook niet als het hun oudere ouders betreft. De ouders, daarentegen, zijn wel met hun eigen eindigheid bezig, zelfs als ze gezond zijn en nog alles kunnen doen wat ze willen. Zij maken mee dat leeftijdgenoten wegvallen en beseffen dat ook hun tijd zal komen. Zij zijn daarin heel reëel.

Ouders willen het hun kinderen gemakkelijker maken en hen behoeden voor de vervelende ervaringen met de afwikkeling van nalatenschappen die zij zelf hebben gehad. Maar zij zien zich geconfronteerd met kinderen die dit niet willen en niet toelaten. Zij moeten niets hebben van de goede bedoelingen van hun ouders en lijken ervoor weg te kruipen.

Dan rest de ouders niets anders dan het maar te laten. Wat volgt is een teleurgesteld gesprek met mij. Ik zeg hen dan dat hun kinderen ons alsnog kunnen benaderen, mocht dat ooit nodig zijn. En ik adviseer onze flyer te bewaren bij andere belangrijke papieren, zodat deze gemakkelijk gevonden zal worden. Daar staat immers op: Een zorg minder in moeilijke tijden. Misschien vinden de kinderen de NalatenschapsMakelaar wel, als de tijden echt moeilijk zijn.

Carla van der Heijden is NalatenschapsMakelaar

Recensie van ‘Het kwaad en ik’

Eind 2015 verscheen bij Lemniscaat een nieuw boek van Colet van der Ven, getiteld: ‘Het kwaad en ik’. Op de binnenzijde van de omslag lezen we:
‘Ik wil weten waarom levens ontsporen in de hoop te ontdekken hoe je ze op de rails kunt houden. Ik wil begrijpen waarom mensen hun menselijkheid verliezen en hoe ik mezelf en wij elkaar daartegen kunnen beschermen. Ik wil het tekort kennen om te ontdekken wat de bronnen zijn van het tegoed. Ik wil weten waar de wortels van het geweld liggen om te begrijpen wat de voorwaarden zijn voor gerechtigheid.’

Recensie door Carla van der Heijden

Meer dan 300 pagina’s van reportages, interviews, essays en autobiografische flarden leiden ons langs een weg die voert van kinderpesterijen tot de diepste afgronden van het menselijke kwaad om uit te komen bij vergeving. Zeven delen lang. Zijn het toevallig zeven delen? Je zou denken van niet. In het zesde gloort al hoop, en in het zevende komt de turbulentie, die het lezen van de eerste zes delen veroorzaakt, tot rust, alsof het sabbat is.
De grote vraag van het boek is wanneer een mens zijn respect voor menselijke waardigheid verliest, hoe hij ertoe komt anderen te vernederen en op welk punt hij zijn huiver om te doden achter zich laat. Wat maakt dat zijn morele beschermingsmechanisme geneutraliseerd wordt. Mensen die in hun jeugd gepest zijn lopen een grotere kans later te ontsporen, want voor ondergane vernedering hebben mensen een ijzersterk geheugen. Dit geldt helaas niet voor eigen wangedrag, zo heeft Colet tijdens haar zoektocht moeten vaststellen. En dat terwijl Socrates toch al zei dat het beter is kwaad te ondergaan dan kwaad te doen.
In Van kwaad tot erger lezen we verhalen over pesten op school en in verzorgingshuizen en over ontgroening bij studentenverenigingen. Heel precies wordt het pestgedrag beschreven. Hierdoor zie je de ernst en leef je mee met het slachtoffer. De conclusie luidt dat morele vakantie een illusie is. Van beschaving kun je niet vrij nemen. Dit deel eindigt met de beschrijving van gruwelijkheden van IS en het lot van kindsoldaten.
Over het Wij en Zij denken lezen we dat het oeroud is en overal voor komt. Het wordt pas erg als de ander als barbaar gezien wordt. Daarvan zijn vele schrikwekkende voorbeelden in de geschiedenis. Toch is er hoop, want in deze tijd hebben mensen contacten over de hele wereld en verhuizen van land naar land en zo zou het kunnen gebeuren dat mensen het wij en zij denken kunnen leren te overstijgen.
In het deel over (on)gewone mensen vertellen mensen in de gevangenis over hun leven. Allerlei omstandigheden maken dat iemand ontspoort. Je kunt het je zo voorstellen. Gewone mensen doen in ongewone omstandigheden ongewone dingen. Maar het is ook zo dat er mensen zijn bij wie het geweten niet gewekt kan worden. Er zijn ook mensen bij wie het niet gewekt wordt en er zijn mensen die het geleidelijk aan afdekken, tot het gesmoord wordt in nietszeggende rationalisaties. Mensen die gekwetst zijn in het leven wreken zich en maken slachtoffers die meestal niets met het ontstaan van de kwetsuren te maken hebben. Gedurende de 14 jaar dat ik, Carla van der Heijden, in een Huis van Bewaring werkte heb ik veel van de verhalen die in dit deel te lezen zijn in een andere variant zelf gehoord.
In Overleven lezen we over ontmoetingen met straatkinderen en leden van gevangenisbendes in Zuid-Afrika. Huiveringwekkende verhalen. Maar ergens in de spelonken en vaalten van Calcutta bloeit een bloemetje, broos en ongebroken: Een jongen en een meisje overleven in een hutje van zeil. De jongen is verlamd en heeft wonden. Het meisje houdt van hem.
In indringende interviews zien we wat doorstaan geweld met iemand kan doen en dat na Auschwitz de één blijft steken in wrok en een ander een leven lang probeert om een goed mens te zijn. Dan blijkt ook hoe groot de veerkracht van mensen kan zijn. In het nawoord wordt daarop teruggekomen.
Begin 20e eeuw was daar het begrip ‘empathie’. De mens is de mens een mens wordt gedurende die eeuw steeds meer waar. In het Westen dan. Daar is, door alles heen, inclusief het kwaad van de beide Wereldoorlogen, een humanitaire revolutie geweest. We leven niet meer in de Middeleeuwen. Geweld is niet meer vanzelfsprekend. We weten nu dat de meeste mensen de mogelijkheid tot wreedheid bezitten, maar ook de mogelijkheid om daar weerstand aan te bieden. In navolging van Hannah Arendt stelt Colet dat denken het wapen is tegen moreel analfabetisme. Om dat aan te leren is goede opvoeding belangrijk. Daar ligt ook een taak voor de samenleving. Gedachtenloosheid moet bestreden worden. Want alleen het denken kan de disharmonie in je zelf voorkomen. Bewustzijn houdt scherp, wekt mededogen, roept empathie op.
In het zevende en laatste deel worden met ontroerende voorbeelden uit de wereld van kunst en muziek de bronnen van het tegoed verkend. Om tenslotte uit te komen bij vergeving. Met de voorbeelden wordt het belang aangetoond van het aanbieden van cultuur aan kinderen. Maar juist daar wordt vaak gemakkelijk op bezuinigd. De Zachte krachten, zoals dit slotdeel heet, naar een gedicht van Henriëtte Roland Holst, lijken niet altijd genoeg op waarde geschat te worden. Dat geeft te denken voor de toekomst.
Het boek is levendig geschreven. Het is alsof je er zelf bij bent. Colet heeft de mensen over wie ze schrijft ontmoet en in de ogen gekeken. In haar beschrijvingen kruipt ze als het ware in hun huid. Daardoor leest het als een roman. De afzonderlijke hoofdstukken dan. Het is niet aan te raden alles achter elkaar te lezen. Zoveel kwaad maakt een lezer triest en somber. Maar tegelijk is het een boek waar je niet halverwege mee moet ophouden en de rest ongelezen laten, want dan geraak je niet bij het zevende deel. Wie echter alleen dat leest, hoe mooi ook, doet het boek geen recht. Want het laatste deel is pas zo mooi, omdat het staat in de context van de andere. Pas als je daar doorheen bent weet je ook dat het goede niet vanzelfsprekend is en niet gemakkelijk verkrijgbaar. Want, zoals het nawoord zegt: het blijkt steeds weer dat veel mensen vatbaar zijn voor kwaad, maar sommigen niet, en dat vreselijke dingen overal kúnnen gebeuren, maar niet overal ook daadwerkelijk gebeuren. Er lijkt dus niet veel voor nodig om onze hele aarde tot een goede plaats te maken. Maar vooralsnog lukt dat niet. Dat kunnen we zelf lezen in de krant, elke dag weer. De laatste woorden van Colet zijn daarom onontkoombaar: ‘En mijn zoektocht? Die gaat door’.

Met Colet van der Ven was er een discussieavond in de Dominicus Amsterdam. Ik maakte daarvan een verslag, dat hier is te lezen.

Recensie van een bijzondere theater voorstelling

Als een gouden wervelwind: HIJ, een monoloog van Esther van Steenis

Ruim honderd toeschouwers, klasgenoten, docenten, familie en Dominicusgangers, zitten in spannende afwachting te kijken naar het podium in de Dominicuskerk. De tafel is wat naar achteren gezet, de grote stoel staat ernaast, het groene kleed van de zondag hangt gewoon over de tafel. Het enige dat toegevoegd is, is een kleine Cd-speler en een kapstok, opzij van het podium neergezet, waaraan wat slordige jassen hangen.

Door Carla van der Heijden

Als een kleine gouden wervelwind vliegt ze vanaf het hoofdaltaar het podium op, Esther van Steenis, examen-leerling van het Cygnus Gymnasium. Ze kijkt wat uitdagend het publiek in, en begint. Een heel half uur lang zal ze aan het woord zijn. Ondertussen gaat ze zitten en staan, zet muziek aan en ook weer uit, zingt soms wat mee en drentelt op en rond het podium op en neer. Ze trekt een goudkleurige jas uit en weer aan en weer uit, hangt het even aan de kapstok en haalt het er weer af, speelt ermee en lijkt hem soms even te koesteren. Het publiek ziet het gefascineerd aan, houdt de adem in en hoort grote vragen in vogelvlucht langs komen.
Ze is in dialoog met zichzelf en vooral ook met een ander, die er niet meer is: “Stel je voor dat je gelukkig bent. En juist die ander, die niet alleen de oorzaak is van jouw geluk, maar ook de reden van jouw zijn, die ander gaat weg.” Die ander, zo verschillend van haarzelf, waardoor een inkijkje ontstaat in het personage dat Esther neerzet. Wie is zij? Het is een vrouw, dat zeker, en ze is nu alleen, dat weten we ook. Maar verder? Het is theater, het personage is ook een kapstok, onder meer om een discussie tussen geloof en wetenschap aan op te hangen. Maar waarschijnlijk geeft deze 17 jarige, die ooit als 12 jarige op hetzelfde podium stond, hiermee ook inkijkje in haar eigen ziel.
“Ga een keer mee op zondagochtend, dan zie je hoe het is. (…) Ik wilde zeggen dat ik niet dom was. Dat ik de wetenschap ook begreep. Dat ik nooit gezegd had dat Darwin onwaarheden heeft gepubliceerd en Galileo een liegende blaaskaak was. Ik wilde uitschreeuwen dat religie en wetenschap heel goed samengingen. Hem door elkaar schudden en zeggen dat hij heel veel zou leren als hij eens naar een kerk zou komen, die gemeenschap zag, die mensen! Ik wilde uitleggen dat ik tot rust kwam in de kerk. Ik wilde zeggen dat mijn geloof niet alleen met een God of een Jezus te maken had. Dat het ook voor deel samen zijn was. Je mag en kan je zorgen vergeten, want op dat moment ben je alleen even daar. Als ik er was, als ik er ben, is het geweldig.”
Het is een eenzame strijd die Esther haar personage laat voeren: “Hij had me zo aangekeken, dat ik m’n mond hield.” Uiteindelijk blijft ze alleen achter, beeldend beschrijft ze het huis, waarin alles aan hem herinnert en moet op zoek naar zichzelf: “Jezelf zijn, dat is als aan het begin van de Lente zonder jas naar buiten gaan. Dat moet je gewoon doen.” Als een wervelwind vloog ze weg. De gouden jas blijft achter.
Het publiek haalt adem en de spanning ontlaadt zich in een luid en welverdiend applaus.