Ervaringen met de wet BETS

In het najaar van 2017 ging de wet Bescherming Erfgenamen Tegen schulden in, afgekort als de wet BETS. Dat is dus nog niet zo lang geleden en daarom is iedereen benieuwd hoe het nu gaat en hoe deze wet in de praktijk werkt.

Deze wet maakt het mogelijk om een nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden, ook al is daarvoor de wettelijke termijn van drie maanden waar binnen je moet beslissen verstreken. En ook al heb je je gedragen als erfgenaam. Als er na die tijd alsnog schulden blijken te zijn, waarvan je niet tijdig op de hoogte kon zijn, dan kun je dus jezelf beschermen zodat je deze schulden niet uit eigen middelen hoeft te betalen. Je hoeft dan alleen maar te betalen met het geld uit de nalatenschap. En als dat niet genoeg is, wordt de rest kwijtgescholden.

Mijn ervaring is dat deze wet prima werkt en een grote opluchting voor de nabestaanden kan betekenen. Inmiddels heb ik diverse keren met succes een beroep gedaan op deze wet.

De eerste keer ging het om de nalatenschap van iemand die net vóór de ingangsdatum van deze wet overleden was. Nadat alles al bijna was afgewikkeld bleek er een schuld te zijn. Ik besloot het er maar op te wagen, maar wist helemaal niet wat ik moest doen. Niemand had nog ervaring. Ik heb de rechtbank opgebeld om de situatie uit te leggen. Ik kreeg te horen dat ik een brief moest schrijven en bewijsstukken van de schuld moest bijvoegen. Dat heb ik gedaan en toen kwam de akte beneficiaire aanvaarding heel vlot.

Daarna heb ik het steeds zo gedaan. Ik schreef een brief waarin ik de situatie uitlegde. En daarbij verklaarde ik ook waarom er niet tijdig een akte beneficiaire aanvaarding was aangevraagd. Die brief stuurde ik dan samen met de aanvraagformulieren van de erfgenamen naar de rechtbank. Als ze beschikbaar waren, voegde ik bewijsstukken bij. Bij enkele de zaken waar we minder dan een maand te laat waren, waar dus de drie-maandentermijn maar net versteken was, had ik soms geen bewijsstukken om bij te voegen.

Na enige tijd ontving ik dan altijd een akte met de post en dan was de nalatenschap beneficiair aanvaard. Hoe precies de beslissing wordt genomen, weet ik eigenlijk niet. Het lijkt alsof er na een beroep op de wet BETS een gerechtelijke uitspraak zal volgen. En misschien is dat ook wel zo. Maar die wordt mij niet apart gestuurd.

Aan het schrijven van de brief besteed ik overigens veel zorg. Ik heb voor ogen dat er geen herkansing is, maar dat de beslissing wel door mensen genomen zal worden. En dat rechters ook wel zullen begrijpen dat het geen zin heeft om nabestaanden, die niets aan de situatie kunnen doen, met enorme schulden te laten zitten, die ze nooit zullen kunnen betalen. En dat het mijn taak is om goed uit te leggen wat er precies aan de hand is en wat de reden is van deze late aanvraag. De nabestaanden zijn daar zelf niet toe in staat. Zij zijn vooral in paniek en bovendien niet handig in het schrijven van brieven.

Zo heb ik al heel wat mensen kunnen helpen. Zij kunnen nu verder gaan met hun leven zonder een enorme schuld van hun overleden dierbare mee te hoeven torsen. Iets wat voordat we de wet BETS hadden niet mogelijk zou zijn geweest.

Carla van der Heijden

Opgelucht, dankzij de wet BETS

Huilend had ik haar aan de telefoon. De zorgverzekering wilde meer dan 20.000 euro terugvorderen voor teveel uitgekeerde vergoedingen voor zorg aan haar moeder. Haar moeder was nu al weer een maand of 7 geleden overleden. Ze had jarenlang intensief voor haar gezorgd, en dat met haar eigen gezondheid moeten betalen. Na het overlijden had ze alles opgeruimd en de huurwoning in orde gebracht. Omdat haar moeder niets naliet had ze de uitvaart en de rekeningen die er nog waren zelf maar betaald. Toen was haar geld op en daarom trof ze voor de belastingschuld van bijna €400,- een regeling. Ze zou het met €20,- per maand afbetalen.

En nu dus die €20.000,- . Ze was wanhopig. Nooit zou ze dit kunnen betalen. De medewerkster van de zorgverzekering had haar verwonderd gevraagd of ze dan niet beneficiair aanvaard had, aangezien er kennelijk zo weinig baten waren. Nee, dat had ze niet, daar had ze nooit van gehoord. De vriendelijke dame adviseerde haar via Google hulp te zoeken en zo kwam ze bij ons terecht.

Dat was dus 7 maanden na het overlijden van haar moeder en ook nadat ze een regeling met de belastingdienst had getroffen voor het afbetalen van een schuld van haar moeder. Daar is ze kennelijk niet gewezen op de mogelijkheid van beneficiair aanvaarden, waarmee ze dit niet zou hoeven te betalen, terwijl de belastingdienst daar toch heus wel van op de hoogte is en er veelvuldig mee te maken heeft.

Navraag bij de zorgverzekering leverde op dat er bij de zorgindicatie iets fout was gegaan. En eigenlijk ook bij henzelf, door alle declaraties uit te keren, terwijl het maandbudget toch ruim overschreden werd. En het is natuurlijk niet zo handig van hen dat ze daar dan zoveel maanden na overlijden pas achter komen. Dat gaven ze allemaal wel toe. En ze begrepen dat de erfgenamen dit bedrag misschien niet zouden kunnen betalen. Maar de fouten herstellen of het gewoon kwijtschelden konden ze niet. Dat zouden ze natuurlijk wel kunnen als er beneficiair aanvaard was, op vertoon van een akte dus.

Daarom deed ik een beroep op de wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden. Ik schreef een uitgebreide brief naar de rechtbank, en voegde daar, behalve de noodzakelijke papieren, ook de brief van de zorgverzekering bij. Om niets aan het toeval over te laten stapte ik op de fiets om dit alles persoonlijk bij de rechtbank af te geven. De medewerkster die het in ontvangst nam schrok van het bedrag op de brief van de zorgverzekering en uit haar houding meende ik op te maken dat ze dacht: ‘als dit geen reden is voor een beroep op de wet BETS, wat dan wel?’ Ze adviseerde me het bewijs van betaling van de griffiekosten alvast naar de zorgverzekering te sturen.

Maar daarmee hadden we nog geen akte. Die kwam pas na ruim een maand. Een heel spannende maand, dat wel.

Daarna was het nog wel een hele toer om de zorgverzekering zover te krijgen dat ze de schuld echt afboekten en het dossier sloten. Ze gaven zich niet zomaar gewonnen, terwijl zij toch echt ook zelf een grote fout hadden gemaakt en er geen baten in de nalatenschap zaten, om zelfs maar de vereffeningskosten te dekken.

Uiteindelijk kwam alles helemaal in orde en konden de nabestaanden verder met hun leven.

Carla van der Heijden

Toch geen schuld: over een falend incassobureau

Een weduwe, die weinig bezittingen had en leefde van de AOW, overleed. De kinderen constateerden dat het banksaldo samen met de te verwachten uitkering van een polis precies voldoende zou zijn om alle kosten te dekken. Ze regelden de uitvaart, zegden de huur en abonnementen op en betaalden alle rekeningen. Op het laatst stortte één van hen nog 55 euro bij, zodat de laatste rekening, van de grafsteen, betaald kon worden. Ondertussen was de zeer bescheiden inboedel ook opgeruimd

Toen was het bijna 3 maanden verder en waren ze klaar, dachten ze.

Op dat moment viel hen een vreemde automatische afschrijving op, van ruim 45 euro van de bankrekening van hun moeder. Een ingewikkelde naspeuring leverde op dat er een oude schuld zou zijn, waarvan de kinderen nooit iets geweten hadden. Schulden maken paste ook niet bij hun moeder. Die was altijd zeer precies en telde haar geld uit, zodat ze steeds uitkwam met het weinige dat ze had.

Maar er was toch een schuld, van bijna 3500 euro, zo berichtte het incassobureau dat na lang zoeken gevonden was en een A4tje stuurde, zonder uitleg, zonder logo en briefhoofd.

Op dat moment werd ik gebeld en klonk het woord HELP door de telefoon.

De nieuwe wet Bescherming Erfgenamen Tegen Schulden was ingegaan in september 2016, maar deze vrouw was in augustus overleden en de erfgenamen hadden zich zeker wel gedragen als heer en meester over de nalatenschap, hoewel zij niets voor zichzelf hadden gehouden, omdat er niets was. Ik schreef een brief aan de rechtbank, voegde de boedellijst bij en verzocht om de nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Dat lukte.

In de twee weken dat we wachtten op de akte hadden de kinderen de administratie van moeder grondig nagespeurd. Stapels papieren waren uit schoenendozen gekomen. Daarbij papieren over de schuld, die in 2002 door een misverstand ontstaan bleek. Keurige brieven van het incassobureau met berekeningen, compleet met briefhoofd en logo. Uit de laatste brief, van voorjaar 2014, kon opgemaakt worden hoeveel schuld er toen nog restte. Dat was beduidend minder dan het bedrag dat er nu nog leek te staan. Bovendien was er in alle berichten aan moeder nooit sprake van rente, terwijl de huidige schuld uitsluitend rente betrof.

Vele mails en telefoontjes met het incassobureau leverden op dat er inderdaad een afspraak was dat moeder bij correcte betaling geen rente hoefde betalen. Jarenlang had ze trouw elke maand ruim 45 euro van haar bescheiden AOW betaald. De schuld bleek eigenlijk al enkele maanden voor haar overlijden afbetaald en ze zouden het dossier per direct sluiten.

Geen sorry. Geen woord over het te veel betaalde bedrag en al helemaal geen aanbod om dat terug te geven aan de erfgenamen. Intussen hadden zij wel kosten gemaakt voor de beneficiaire aanvaarding. Wij confronteerden de schuldeiser hiermee. Toen kwam er wel een aanbod om het te veel betaalde bedrag terug te betalen, als er een verklaring van erfrecht zou kunnen worden overlegd. Die hadden ze niet, nog nergens voor nodig gehad, en de kosten daarvan evenaren het te veel betaalde bedrag. Uiteindelijk namen ze dan wel genoegen met de akte en werd het ten onrechte geïncasseerde bedrag terugbetaald, met inhouding van anderhalve euro aan administratiekosten, dat wel.

Maar ook nu: geen sorry en wel een uitdrukkelijke weigering om tegemoet te komen aan de kosten die de erfgenamen uitsluitend en alleen hadden moeten maken omdat ze een schuld ontdekten, die dus bij nader inzien geen schuld meer was, door een fout van het incassobureau, in een periode dat moeder al te ziek was om dat nog in de gaten te kunnen hebben.

Gelukkig bestaat er de mogelijkheid om tegen falende incassobureaus een klacht in te dienen. Daar is in dit geval wel reden toe.

Deze klacht mondde bijna een jaar later uit in een rechtszaak, waarbij de nabestaanden volledig in het gelijk werden gesteld en het incassobureau een maatregel van berisping werd opgelegd.

Malafide incassobureaus

Een NalatenschapsMakelaar heeft regelmatig te maken met incassobureaus. Niet omdat onze klanten niet zouden betalen, dat is nooit het geval, maar wel omdat een overledene schulden kan hebben die uitstaan bij incassobureaus. De nabestaanden moeten dat oplossen. Gewoonlijk wordt de nalatenschap dan beneficiair aanvaard en afgewikkeld. Daarvoor moeten de schuldeisers aangeschreven worden. Het benaderen van incassobureaus laten nabestaanden vaak over aan de NalatenschapsMakelaar.

Er zijn heel veel incassobureaus, die allemaal willen verdienen aan mensen met schulden. Een gedeelte van hen is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen, het NVI (http://www.nvio.nl/) Die hebben een keurmerk en moeten zich aan een gedragscode houden.

Maar er zijn ook incassobureaus die daar niet bij zijn aangesloten. Bij zo’n bureau kan het zijn dat de kosten die in rekening gebracht worden te hoog zijn, soms zelfs veel te hoog.

Volgens de wet mag een incassobureau het volgende percentage aan incassokosten over de hoofdsom berekenen:

Hoofdsom                                                    Maximale incassokosten       

over de eerste € 2500                                15% (minimaal € 40)

over de volgende € 2500                          10%

over de volgende € 5000                          5%

over de volgende € 190000                     1%

over het meerdere                                     0,5% (max. totaal € 6775)

Het volgende is hierbij nog van belang:

  • Het maximum aan incassokosten geldt ongeacht hoe de kosten worden genoemd. Bijvoorbeeld: administratiekosten, registratiekosten, aanmaankosten, buitengerechtelijke kosten.
  • Indien de opdrachtgever zelf al aanmaankosten heeft berekend en het incassobureau brengt ook kosten in rekening, dan geldt het maximum voor het totaalbedrag.

Meer informatie:  www.schuldinfo.nl/incassokosten

Ik had te maken met zo’n malafide bureau. Ze brachten ruim 30% kosten in rekening, meer dan dubbel zo veel als wettelijk is toegestaan. Bij het Juridisch Loket kreeg ik het advies om een aangetekende brief naar dat bureau te sturen, en daarin te schrijven dat ze te veel kosten vragen en zelf uit te rekenen welk bedrag wel gevraagd mag worden. En dat bedrag onmiddellijk over te maken. De kans dat je daarna nog iets hoort van dat bureau is gering.

Dit alles geldt natuurlijk alleen als er ruimschoots voldoende is. Als er niet genoeg is, krijgt het incassobureau een evenredig deel van het bedrag waar ze wel recht op hebben. En als er niets is om te betalen, krijgt ook het incassobureau niets. Maar dan nog is het goed om een bureau dat te veel vraagt te laten weten wat de wettelijke regels zijn. Wellicht beteren ze hun leven en worden er in de toekomst geen mensen meer slachtoffer van hun praktijken, die we niet anders kunnen noemen dan oplichterij.

Ik heb dat malafide bureau met veel genoegen aangepakt, en mijn klanten daarmee zeer geholpen. Maar het zou beter zijn als het niet nodig was geweest.

Carla van der Heijden is NalatenschapsMakelaar

Liep ik te dromen…

Een van de juweeltjes die Thom Jansen* gemaakt heeft is: ‘En het werd avond en morgen’ op tekst van Huub Oosterhuis. Ooit opgedragen aan zijn geliefde, maar nog altijd graag gezongen.

Aan liederen die bestemd zijn voor de liturgie worden speciale eisen gesteld. Ze moeten namelijk geschikt zijn om uitgevoerd te worden door Podium en Zaal, zoals Bernard Huijbers** stelde. Voor de gemeente moet het goed mee te zingen zijn, terwijl tegelijk het koor voldoende uitgedaagd wordt.

Bij dit lied is dat zeker het geval. De koorgedeelten vormen een bijzonder zangspel tussen mannen en vrouwen. De stemmen klinken afzonderlijk, dan weer samen, eenstemmig of meerstemmig, in een wonderschone opbouw en afwisseling. Vooral het tweede koorstuk, dat begint met een eenstemmige zangregel van de mannen: ‘In spleten van rotsen zat ik verscholen te denken: “ik weet niet meer wat.”’ Waarop de vrouwen antwoorden: ‘In tuinen vol vogels liep ik te fluiten, te dromen: “ik weet niet meer wat.”’

Dan begint het spel van elkaar opzwepende stemmen, tot het uitloopt in wat misschien wel de mooiste akkoordklank is die je als koor kunt vormen. Je hebt de neiging om het te laten doorklinken, de toon die je zingt aan te houden, zolang je adem hebt. Met deze klank wil je eigenlijk niet stoppen. Zelfs de sterrenhemel van de Dominicus gaat meedoen en geeft haar eigen klank terug.

En dan, als dit allemaal lukt, en dat is alleen zo als iedereen op dat moment precies weet wat we samen aan het doen zijn en niemand ‘loopt te dromen’, als dat ene moment van gezamenlijke concentratie daar is, dan volgt de eerste ontlading in het zingen van het refrein door het koor à capella, zonder begeleiding dus, als het ware vanzelf. Die ene klank zindert het hele refrein na en behoedt het koor voor zakken, iets dat zo gemakkelijk kan gebeuren bij het zingen zonder begeleiding. Maar op vleugels van die klank blijft het koor nu op toon.

En aan het eind, als de piano begint te spelen, volgt de tweede ontlading. Daarna maakt de gemeente het lied af terwijl het koor nog even na droomt en weer opnieuw ervaren heeft dat dat, wat we in een kostbaar moment samen tot stand gebracht hebben, groter is dan wij.

Carla van der Heijden zingt in het koor van de Dominicus Amsterdam en is lid van de webredactie.

*)Thom Jansen is al ruim 40 jaar als musicus verbonden aan de Dominicus           **)Bernard Huijbers is bekend geworden als componist van Nederlandstalige kerkmuziek

Een zorg minder, maar de kinderen maken zich geen zorgen

Als NalatenschapsMakelaar maak ik mee dat oudere mensen afspraken willen maken met de bedoeling het hun nabestaanden, hun kinderen, straks gemakkelijker te maken. Zij zelf weten uit ervaring hoe lastig het afwikkelen van een nalatenschap kan zijn. Als er niets vastligt weten nabestaanden vaak niet wat ze moeten doen. Soms moeten ze lang zoeken om de juiste papieren te vinden. Er kan onenigheid ontstaan en een enkele keer worden verhoudingen blijvend verstoord. Dat alles willen ouderen hun kinderen besparen en daarom nemen ze contact op met de NalatenschapsMakelaar.

Als ze na een kennismaking besluiten dat de mogelijkheden die wij bieden, goed aansluiten bij wat zij willen, gaan ze in overleg met hun (volwassen) kinderen. Maar dan blijkt dat zij hierover niet willen nadenken. Ze zeggen tegen hun ouders: ‘Zo ver moet je nog niet denken.’ en ‘Het is nog lang niet aan de orde.’ of ‘Tegen die tijd zien we wel. Maak je geen zorgen, het komt wel goed’.

De kinderen hebben nog nooit meegemaakt dat ze een erfenis moesten afwikkelen en weten daarom niets van de moeilijkheden die je kunt tegenkomen. Ze hebben niet de ervaring van de ouders. Bovendien leiden ze een druk leven en bezig zijn met de eindigheid ervan past daar niet in, ook niet als het hun oudere ouders betreft. De ouders, daarentegen, zijn wel met hun eigen eindigheid bezig, zelfs als ze gezond zijn en nog alles kunnen doen wat ze willen. Zij maken mee dat leeftijdgenoten wegvallen en beseffen dat ook hun tijd zal komen. Zij zijn daarin heel reëel.

Ouders willen het hun kinderen gemakkelijker maken en hen behoeden voor de vervelende ervaringen met de afwikkeling van nalatenschappen die zij zelf hebben gehad. Maar zij zien zich geconfronteerd met kinderen die dit niet willen en niet toelaten. Zij moeten niets hebben van de goede bedoelingen van hun ouders en lijken ervoor weg te kruipen.

Dan rest de ouders niets anders dan het maar te laten. Wat volgt is een teleurgesteld gesprek met mij. Ik zeg hen dan dat hun kinderen ons alsnog kunnen benaderen, mocht dat ooit nodig zijn. En ik adviseer onze flyer te bewaren bij andere belangrijke papieren, zodat deze gemakkelijk gevonden zal worden. Daar staat immers op: Een zorg minder in moeilijke tijden. Misschien vinden de kinderen de NalatenschapsMakelaar wel, als de tijden echt moeilijk zijn.

Carla van der Heijden is NalatenschapsMakelaar

Recensie van ‘Het kwaad en ik’

Eind 2015 verscheen bij Lemniscaat een nieuw boek van Colet van der Ven, getiteld: ‘Het kwaad en ik’. Op de binnenzijde van de omslag lezen we:
‘Ik wil weten waarom levens ontsporen in de hoop te ontdekken hoe je ze op de rails kunt houden. Ik wil begrijpen waarom mensen hun menselijkheid verliezen en hoe ik mezelf en wij elkaar daartegen kunnen beschermen. Ik wil het tekort kennen om te ontdekken wat de bronnen zijn van het tegoed. Ik wil weten waar de wortels van het geweld liggen om te begrijpen wat de voorwaarden zijn voor gerechtigheid.’

Recensie door Carla van der Heijden

Meer dan 300 pagina’s van reportages, interviews, essays en autobiografische flarden leiden ons langs een weg die voert van kinderpesterijen tot de diepste afgronden van het menselijke kwaad om uit te komen bij vergeving. Zeven delen lang. Zijn het toevallig zeven delen? Je zou denken van niet. In het zesde gloort al hoop, en in het zevende komt de turbulentie, die het lezen van de eerste zes delen veroorzaakt, tot rust, alsof het sabbat is.
De grote vraag van het boek is wanneer een mens zijn respect voor menselijke waardigheid verliest, hoe hij ertoe komt anderen te vernederen en op welk punt hij zijn huiver om te doden achter zich laat. Wat maakt dat zijn morele beschermingsmechanisme geneutraliseerd wordt. Mensen die in hun jeugd gepest zijn lopen een grotere kans later te ontsporen, want voor ondergane vernedering hebben mensen een ijzersterk geheugen. Dit geldt helaas niet voor eigen wangedrag, zo heeft Colet tijdens haar zoektocht moeten vaststellen. En dat terwijl Socrates toch al zei dat het beter is kwaad te ondergaan dan kwaad te doen.
In Van kwaad tot erger lezen we verhalen over pesten op school en in verzorgingshuizen en over ontgroening bij studentenverenigingen. Heel precies wordt het pestgedrag beschreven. Hierdoor zie je de ernst en leef je mee met het slachtoffer. De conclusie luidt dat morele vakantie een illusie is. Van beschaving kun je niet vrij nemen. Dit deel eindigt met de beschrijving van gruwelijkheden van IS en het lot van kindsoldaten.
Over het Wij en Zij denken lezen we dat het oeroud is en overal voor komt. Het wordt pas erg als de ander als barbaar gezien wordt. Daarvan zijn vele schrikwekkende voorbeelden in de geschiedenis. Toch is er hoop, want in deze tijd hebben mensen contacten over de hele wereld en verhuizen van land naar land en zo zou het kunnen gebeuren dat mensen het wij en zij denken kunnen leren te overstijgen.
In het deel over (on)gewone mensen vertellen mensen in de gevangenis over hun leven. Allerlei omstandigheden maken dat iemand ontspoort. Je kunt het je zo voorstellen. Gewone mensen doen in ongewone omstandigheden ongewone dingen. Maar het is ook zo dat er mensen zijn bij wie het geweten niet gewekt kan worden. Er zijn ook mensen bij wie het niet gewekt wordt en er zijn mensen die het geleidelijk aan afdekken, tot het gesmoord wordt in nietszeggende rationalisaties. Mensen die gekwetst zijn in het leven wreken zich en maken slachtoffers die meestal niets met het ontstaan van de kwetsuren te maken hebben. Gedurende de 14 jaar dat ik, Carla van der Heijden, in een Huis van Bewaring werkte heb ik veel van de verhalen die in dit deel te lezen zijn in een andere variant zelf gehoord.
In Overleven lezen we over ontmoetingen met straatkinderen en leden van gevangenisbendes in Zuid-Afrika. Huiveringwekkende verhalen. Maar ergens in de spelonken en vaalten van Calcutta bloeit een bloemetje, broos en ongebroken: Een jongen en een meisje overleven in een hutje van zeil. De jongen is verlamd en heeft wonden. Het meisje houdt van hem.
In indringende interviews zien we wat doorstaan geweld met iemand kan doen en dat na Auschwitz de één blijft steken in wrok en een ander een leven lang probeert om een goed mens te zijn. Dan blijkt ook hoe groot de veerkracht van mensen kan zijn. In het nawoord wordt daarop teruggekomen.
Begin 20e eeuw was daar het begrip ‘empathie’. De mens is de mens een mens wordt gedurende die eeuw steeds meer waar. In het Westen dan. Daar is, door alles heen, inclusief het kwaad van de beide Wereldoorlogen, een humanitaire revolutie geweest. We leven niet meer in de Middeleeuwen. Geweld is niet meer vanzelfsprekend. We weten nu dat de meeste mensen de mogelijkheid tot wreedheid bezitten, maar ook de mogelijkheid om daar weerstand aan te bieden. In navolging van Hannah Arendt stelt Colet dat denken het wapen is tegen moreel analfabetisme. Om dat aan te leren is goede opvoeding belangrijk. Daar ligt ook een taak voor de samenleving. Gedachtenloosheid moet bestreden worden. Want alleen het denken kan de disharmonie in je zelf voorkomen. Bewustzijn houdt scherp, wekt mededogen, roept empathie op.
In het zevende en laatste deel worden met ontroerende voorbeelden uit de wereld van kunst en muziek de bronnen van het tegoed verkend. Om tenslotte uit te komen bij vergeving. Met de voorbeelden wordt het belang aangetoond van het aanbieden van cultuur aan kinderen. Maar juist daar wordt vaak gemakkelijk op bezuinigd. De Zachte krachten, zoals dit slotdeel heet, naar een gedicht van Henriëtte Roland Holst, lijken niet altijd genoeg op waarde geschat te worden. Dat geeft te denken voor de toekomst.
Het boek is levendig geschreven. Het is alsof je er zelf bij bent. Colet heeft de mensen over wie ze schrijft ontmoet en in de ogen gekeken. In haar beschrijvingen kruipt ze als het ware in hun huid. Daardoor leest het als een roman. De afzonderlijke hoofdstukken dan. Het is niet aan te raden alles achter elkaar te lezen. Zoveel kwaad maakt een lezer triest en somber. Maar tegelijk is het een boek waar je niet halverwege mee moet ophouden en de rest ongelezen laten, want dan geraak je niet bij het zevende deel. Wie echter alleen dat leest, hoe mooi ook, doet het boek geen recht. Want het laatste deel is pas zo mooi, omdat het staat in de context van de andere. Pas als je daar doorheen bent weet je ook dat het goede niet vanzelfsprekend is en niet gemakkelijk verkrijgbaar. Want, zoals het nawoord zegt: het blijkt steeds weer dat veel mensen vatbaar zijn voor kwaad, maar sommigen niet, en dat vreselijke dingen overal kúnnen gebeuren, maar niet overal ook daadwerkelijk gebeuren. Er lijkt dus niet veel voor nodig om onze hele aarde tot een goede plaats te maken. Maar vooralsnog lukt dat niet. Dat kunnen we zelf lezen in de krant, elke dag weer. De laatste woorden van Colet zijn daarom onontkoombaar: ‘En mijn zoektocht? Die gaat door’.

Met Colet van der Ven was er een discussieavond in de Dominicus Amsterdam. Ik maakte daarvan een verslag, dat hier is te lezen.

Recensie van een bijzondere theater voorstelling

Als een gouden wervelwind: HIJ, een monoloog van Esther van Steenis

Ruim honderd toeschouwers, klasgenoten, docenten, familie en Dominicusgangers, zitten in spannende afwachting te kijken naar het podium in de Dominicuskerk. De tafel is wat naar achteren gezet, de grote stoel staat ernaast, het groene kleed van de zondag hangt gewoon over de tafel. Het enige dat toegevoegd is, is een kleine Cd-speler en een kapstok, opzij van het podium neergezet, waaraan wat slordige jassen hangen.

Door Carla van der Heijden

Als een kleine gouden wervelwind vliegt ze vanaf het hoofdaltaar het podium op, Esther van Steenis, examen-leerling van het Cygnus Gymnasium. Ze kijkt wat uitdagend het publiek in, en begint. Een heel half uur lang zal ze aan het woord zijn. Ondertussen gaat ze zitten en staan, zet muziek aan en ook weer uit, zingt soms wat mee en drentelt op en rond het podium op en neer. Ze trekt een goudkleurige jas uit en weer aan en weer uit, hangt het even aan de kapstok en haalt het er weer af, speelt ermee en lijkt hem soms even te koesteren. Het publiek ziet het gefascineerd aan, houdt de adem in en hoort grote vragen in vogelvlucht langs komen.
Ze is in dialoog met zichzelf en vooral ook met een ander, die er niet meer is: “Stel je voor dat je gelukkig bent. En juist die ander, die niet alleen de oorzaak is van jouw geluk, maar ook de reden van jouw zijn, die ander gaat weg.” Die ander, zo verschillend van haarzelf, waardoor een inkijkje ontstaat in het personage dat Esther neerzet. Wie is zij? Het is een vrouw, dat zeker, en ze is nu alleen, dat weten we ook. Maar verder? Het is theater, het personage is ook een kapstok, onder meer om een discussie tussen geloof en wetenschap aan op te hangen. Maar waarschijnlijk geeft deze 17 jarige, die ooit als 12 jarige op hetzelfde podium stond, hiermee ook inkijkje in haar eigen ziel.
“Ga een keer mee op zondagochtend, dan zie je hoe het is. (…) Ik wilde zeggen dat ik niet dom was. Dat ik de wetenschap ook begreep. Dat ik nooit gezegd had dat Darwin onwaarheden heeft gepubliceerd en Galileo een liegende blaaskaak was. Ik wilde uitschreeuwen dat religie en wetenschap heel goed samengingen. Hem door elkaar schudden en zeggen dat hij heel veel zou leren als hij eens naar een kerk zou komen, die gemeenschap zag, die mensen! Ik wilde uitleggen dat ik tot rust kwam in de kerk. Ik wilde zeggen dat mijn geloof niet alleen met een God of een Jezus te maken had. Dat het ook voor deel samen zijn was. Je mag en kan je zorgen vergeten, want op dat moment ben je alleen even daar. Als ik er was, als ik er ben, is het geweldig.”
Het is een eenzame strijd die Esther haar personage laat voeren: “Hij had me zo aangekeken, dat ik m’n mond hield.” Uiteindelijk blijft ze alleen achter, beeldend beschrijft ze het huis, waarin alles aan hem herinnert en moet op zoek naar zichzelf: “Jezelf zijn, dat is als aan het begin van de Lente zonder jas naar buiten gaan. Dat moet je gewoon doen.” Als een wervelwind vloog ze weg. De gouden jas blijft achter.
Het publiek haalt adem en de spanning ontlaadt zich in een luid en welverdiend applaus.

Taal die beweegt

Verslag van een inspirerende dag in de Dominicuskerk, door Carla van der Heijden

Het is zaterdag 18 april, de grote dag van TAAL DIE BEWEEGT. De zon schijnt door de ramen en zet de met gouden vlaggetjes en bloemen versierde Dominicuskerk in een schitterend licht. Als om half 10 de deur open gaat stromen de mensen naar binnen. Dominicusgangers, maar ook veel anderen. Mensen die vroeger wel eens kwamen of nooit eerder in dit prachtige gebouw zijn geweest. Mensen uit Amsterdam en omgeving en mensen die een verre reis hebben gemaakt, uit Limburg, Groningen, zelfs uit Vlaanderen. Iedereen is blij en opgewekt.
Om 10 uur opent Juut Meijer de dag, terwijl er nog altijd mensen binnenkomen en haastig een kop koffie nemen. Ze heet iedereen welkom, sprekers, schrijvers van het boek, Dominicusgangers en andere belangstellenden. Iedereen die gekomen is om mee te denken over taal en liturgie in deze tijd. Ze haalt Guido Gezelle aan: ‘De blomme spreekt een tale’. En Professor Schillebeeckx heeft ooit gezegd dat religieuze taal nooit het laatste woord heeft, geen isgelijktekens kent, maar wel degelijk reageert op wat zich werkelijk openbaart en aan ons voordoet.
Voor ons zoeken naar wie we zijn en hoe te leven, naar plaats en ruimte voor levensoriëntatie, vreugde of verdriet, hebben we taal nodig, ook geloofstaal. Maar is zulke taal nog te vinden, nu we zo veranderd zijn?, vraagt Juut zich af.
‘Taal die beweegt’ is de titel voor deze dag. In de viervoudige betekenis van het woord dat zichzelf durft vernieuwen, dat zich opent voor wat zich aandient, het hart beweegt en ons in beweging brengt naar elkaar en onze wereld.
Deze dag is er, om de vragen die velen hebben over hoe we van die oude thema’s van uittocht en bevrijding iets kunnen behouden. En van die Ene met vele namen, die uiteindelijk niet door onze taal tot bestaan komt, maar omgekeerd: die er allang is en in wiens woord, stilte en beweging wíj bestaan.

Dagvoorzitter Arjan Broers gaat verder. Hij vertelt ver weg te wonen en daardoor niet zo vaak in de Dominicus te kunnen zijn. Op zondag tegen 11 uur is denkt hij wel eens: ‘Ze gaan daar nu beginnen’. Hij vraagt om een moment van stilte en zegt: ‘Als je vandaag de draad kwijtraakt, zal deze stilte bij je zijn.’

Ad de Keyzer

Ad de Keyzer krijgt als eerste van de vier sprekers het woord. Hij stelt dat liturgie de ontmoeting is tussen de samengekomen gemeente en het levensgeheim, dat wat wij naar menselijke gewoonte God noemen. Hij houdt een pleidooi voor een wijze van taalgebruik die gevoel heeft voor het contemplatieve, voor dat wat onzegbaar en ondenkbaar is, maar wel te ervaren. In de liturgie gebeurt het ‘huis dat een levend lichaam wordt’, en wordt de plaats waar de eeuwige en wij elkaar ontmoeten als een tweestemmig lied.

De contemplatieve taal van de liturgie is gekoesterd in meer dan 2500 jaar en hij haalt het verhaal van de profeet Elia aan. Elia stond recht voor God, in het licht van Gods gelaat, maar toch heeft hij God nooit gezien. Hij beseft wel door God gezien te zijn. Gezien en gehoord heeft God de ellende van het volk in Egypte, lezen we in Exodus.
De liturgische taal is doortrokken van mystiek en zo wordt Gods gunnende liefde uitgedrukt. Vooral de psalmen zijn hierin een ijkpunt. Vooraf aan elke psalm staat de mens van vlees en bloed die geraakt wordt in de ziel, door de hardheid van het leven. Maar die ook de vreugde kent van het besef geschapen te zijn, zomaar om niet. Het is deze mens die naast jou en mij staat en die soms even de warmte van de Geest voelt waardoor het leven dragelijk wordt. Deze mens, die er van buiten patent uitziet, maar van binnen donkerte voelt, verlangt er naar om gezien en gehoord te worden.
Ad de Keyzer houdt een pleidooi om de liturgische taal levend houden, ook al is zij weerbarstig. De moeilijk te begrijpen wendingen in liturgische taal moeten we niet te snel weggooien, maar juist een kans geven, want die zouden een geheim in zich kunnen dragen. Vertalingen kunnen we aanpassen, maar wel met respect en schroomvol, zo stelt hij.
Als God de bevrijding is van ons gelaat kan het gebeuren dat wij het gelaat van de ander zien en dat in die ander God ons nabij komt. Het gaat om de bevrijding van het gelaat van de Eeuwige en zo opent zich in de taal een mystieke ruimte waarin wij zien en gezien worden, horen en gehoord worden. We komen bijeen om te breken en te delen, zijn wat niet kan, doen wat ondenkbaar is. En zo licht iets op uit het verborgene zodat wijzelf mogen staan in gezegende licht van de Eeuwige.

Ad de Keyzer doorvlecht zijn verhaal met woorden uit liederen. Voor wie ze kent resoneren die liederen mee. En zo wordt het eerste verhaal van de conferentie ‘taal die beweegt’ zelf een tweestemmig lied.

Marjolijn van Heemstra

Marjolijn van Heemstra vertelt over haar eigen zoektocht en worsteling naar taal en woorden vanuit haar ervaring met poëzie en theater. In de Dominicus is ze nooit geweest. Vroeger ging ze naar de zondagschool, maar daar werden de Bijbelverhalen tot haar teleurstelling van alle geheimen ontdaan en verteld als afkomstig uit een simpel sprookjesboek. Haar grootvader huilde altijd als hij het woord ‘Jezus’ zei. Dat maakte diepe indruk op haar. Ze voelde dat in dat woord een gigantische wereld besloten ligt. Taal geeft de ruimte om die wereld te bewaren. Daar, bij haar grootvader, begon haar liefde voor theater en ze ontdekte het verschil tussen gewoon en ge-engageert spreken. Ze verwijst ook naar de mystieke ruimte, waar Ad de Keyzer het over had.
Ze stelt dat Taal het spreken zelf moet bewegen. Daar is de acteur, de theatermaker, naar op zoek. Een acteur wil de tekst hier en nu tot leven brengen en vraagt zich af wat de woorden nodig hebben om weer gehoord te worden.
Marjolijn wilde een gedicht schrijven over God. Ze vertelt over haar worsteling om de juiste woorden te vinden. Ze zocht een woord dat iets weg had van slang en van spanning en nieuw licht. Vele woorden liet ze door zich heen gaan en wees ze af. Mystieke kracht, spoor, pad, wandelen, lopen… sluipen…. Dat was het: sluipen! God moest een sluiproute zijn.
Poëzie heeft taal nodig die je ruimte laat voor het mysterie. Het gaat niet alleen om de inhoud, maar ook om de vorm. De vorm zingt grote woorden los van het alledaagse. Ze wil op zoek naar de vergeten zolders en kelders van de taal. De woorden ’Taal is het huis van de ziel’ (ontleend aan het gedachtengoed van Wittgenstein) gaan met haar mee.
Marjolijn van Heemstra zegt dat de vragen uit het theater ook een rol spelen in de kerkdienst en ze pleit ervoor om daarmee te experimenteren. De spreker moet ruimte in zichzelf kunnen vinden. Wanneer begint het eigenlijk? Nog voordat het eerste woord geklonken heeft. Alles is dan belangrijk. Het gaat om het moment, om het sprekende lichaam, het luisterende oog, om licht en ruimte.
Tot slot leest zij haar gedicht over God voor.

Het is tijd voor een koffiepauze, en daarna zingt het Dominicuskoor het eerste lied van de dag. ‘Als een feest’. Een speciaal lied voor de jarige Dominicus, op tekst van Juut Meijer en muziek van Thom Jansen, die natuurlijk zelf achter de piano zit. Leenke de Lege dirigeert en Jeannette Cramer is solist.

Ger Groot

Ger Groot begint met het in herinnering roepen van Bernard Huijbers, in vriendschap en ontroering.
Vertalen van oude liturgische teksten was moeilijker dan gedacht. Dat werd duidelijk bij het Dies Irae, uit de uitvaart liturgie. In het Nederlands bleken daar woorden te staan die de nabestaanden onmogelijk konden troosten. Het Dies Irae verdween dus, maar hiermee was wel het probleem blootgelegd. Want welke taal kon je dan wel gebruiken? Het moet een taal zijn die we verstaan en ook dat wat mensen niet zeggen kan uitdrukken.
Liturgie vraagt om geborgenheid en afstand, niet om de beslommeringen van elke dag. ‘De tweede taal’ waarin het meeste niet gezegd wordt, maar er wel is.
Ger Groot zegt zelf een verstokte atheïst te zijn en wil het niet over geloof hebben, maar over de taal in de liturgie. Deze taal opent zich, juist door de vreemdheid, door dat wat mensen niet zeggen. Woorden werken vanuit zichzelf, net als gebaren en rituelen. Het denkaspect wordt overschat als het om godsdienst gaat. Het gaat erom wat er gebeurt, wat het met mensen doet, nog voor de woorden inhoud hebben gekregen. We kunnen ons dus afvragen of het wel nodig is om de inhoud altijd geheel te begrijpen als het om liturgische teksten gaat. De Bijbelverhalen erachter resoneren mee, voor wie ze kent, maar ook zonder dat werken de teksten. We hoeven niet alles te begrijpen, het raadselachtige, het overweldigende mag blijven bestaan. Liturgie baadt in vreemd vocabulaire, dat alleen maar daar op zijn plaats is. Het klinkt er en in dat klinken doorgronden we het niet.
Belangrijk is de rituele herhaling. Daarin doorbreekt de tweede taal de eerste. Pas dan toont zich het mysterie. Dat is ook zo bij het gebaar: er gebeurt pas iets als je het losmaakt uit zijn efficiëntie. Het ritueel werkt omdat het wordt voltrokken, het schept een eigen thuis. Het ritme van keer op keer herkennen schept een sfeer van vertrouwdheid waarin mensen zich welkom mogen voelen. Het ritueel werkt zelf, het spreekt geen waarheid uit. Het gaat door het lichaam van de deelnemers, meer nog dan door de geest, die er achter aan hobbelt. Dan is het woord ademtocht geworden. Het gaat niet om wat er wordt gezegd, maar dat er iets wordt gezegd. De stilte wordt doorbroken met geleende woorden als eigen woorden ontbreken. En dat is met name bij de confrontatie met de dood. Dan werken geleende woorden als ‘Niemand leeft voor zichzelf…’
De troost van het woord en het gebaar zijn werkelijk en verrichtten zo wonderen. Daarna pas kan er sprake zijn van een ethisch appel of maatschappij kritiek, maar die vormen niet het wonder van het ritueel.
Liturgische taal moet zich van vreemdheid bewust zijn en deze koesteren.
In de liturgie transformeert een onverschillig universum zich tot een kosmos waarin je kunt wonen.
Hij besluit met een persoonlijke ervaring: bij een uitvaart zong het koor ‘In paradisum’ in het Latijn en dat was het meest aangrijpende moment van de hele dienst.

Arjan Broers zegt dat er zoveel poëzie zit in dit filosofisch verhaal, en geeft de mensen even de gelegenheid om op adem te komen en wat met elkaar te praten.

Janneke Stegeman

Janneke Stegeman wordt aangekondigd en zij zal het hebben over de rafelranden van de liturgie. Zij begint met het uittrekken van haar schoenen. Ze wil contact hebben met de grond, zo zegt ze. Dat geeft aanleiding tot foto’s die direct op Twitter en later op Facebook verschijnen, samen met foto’s van de vrolijke schoenen van Arjan Broers, die zijn schoenen aanhoudt.

Na een jeugdherinnering over verdwalen, zegt ze een pleidooi te gaan houden voor dwaaltaal en schurende woorden in de liturgie. Ze zegt dol te zijn op mooie woorden, liederen en gebeden, maar soms heeft ze het gevoel dat ze in een kerk, ook in de Dominicus, wordt ingesponnen in precies kloppende poëzie, in een dons-laagje van taal.
Ze is ook de dwaallustige grensganger, ongeduldig en driftig. Volgens haar is liturgie het gestileerde alledaagse, zodat we de rare diepzinnigheid van dat alledaagse op het spoor komen, en de verbinding met het transcendente kunnen leggen. Ze vraagt zich af of de liturgie niet ongevaarlijk is gemaakt. Kunnen we het nukkige, gevaarlijke, schunnige, schurende van het alledaagse ook ter spraken brengen? Dat de theologie het domein is van intellectuelen is erg genoeg, maar liturgie is spelen. Het is ook de ruimte van het ontregelende, verrassende, opstandige, opruiende.
Taal is beweeglijk: het beweegt steeds voor ons uit, ons voorbij. Liturgie is taal die als het ware op de groei gekocht is. Het verleidt ons naar onbekende plekken. We spreken woorden die ons veel groot zijn, maar wie weet leven we en bewegen we ons er een beetje in. ‘Verstaat gij wat gij leest?’ Nee, dat niet, maar het beroert wel wat, dus ik lees door. Taal waarmee ik een veel te grote broek aan trok, maar waar ik evengoed kippenvel van krijg, zegt ze.
Janneke zegt dat taal voor haar nauw verweven is met conflict, verdwalen, en religie. Ze is dol op taal en dat leidde uiteindelijk tot een studie Theologie, die haar naar Jeruzalem bracht. Daar was meer taal dan ooit, en meer liturgische vormen, en meer conflict. Er vooral: alles was zo verdraaide echt. Er stond zoveel op het spel. Ook in liturgisch opzicht was er veel te beleven en het was daar veel natuurlijker om jezelf te zien als religieus mens. Alsof die taal-op-de-groei op dit moment zat te wachten. Liturgie ging opeens over het dagelijks leven. We weten niet half hoe mystiek het zogenaamde alledaagse is. Het is niet doorzichtig of handzaam, maar vol raadsels, dingen die ons beroeren, blij en woedend maken. Ze had in Jeruzalem veel behoefte aan liturgische taal, omdat die balsem voor de gepijnigde ziel is, maar ook omdat de liturgie ruimte biedt voor het schrijnende, voor woede. Liturgie dus niet als vroomheid, maar die het zogenaamde alledaagse bij de lurven grijpt en laat zien hoe buitengewoon het is.
De viering van brood en wijn werd gevierd met Palestijnse christenen en zo een daad van verzet. Dat ritueel van wegvallende grenzen maakte extra duidelijk dat die grenzen buiten niet in de haak waren. In ons delen verzetten wij ons, en dat schuurde en deed pijn, en het gaf moed.
Ze verlangt naar meer daarvan in de liturgie. Liturgie is toevluchtsoord en ruimte van genade, maar het is ook de plek van woede, verontwaardiging. Het is een daad van verzet. De rafelrandjes moeten zichtbaar zijn. Niet alles hoeft af, er mag ook gedwaald en kwijtgelopen. Het liturgische vocabulaire is prachtig en troostrijk, zeker in de Dominicus, en dat is een zegen, maar ze zou nog een woord aan willen toevoegen, dat de verontwaardiging samenbalt: verdomme! Ze besluit haar verhaal met ‘amen.’

De ochtend is ten einde en Arjan Broers vraagt weer om enkele ogenblikken stilte, en te voelen hoe de grond je draagt. Hij refereert aan de monastieke stilte, waar men eet in stilte terwijl er voorgelezen wordt. Dat gaan we niet doen. De lunch zal een moment van ontmoeting zijn terwijl we genieten van met zorg klaargemaakte broodjes.
De middag begint met een lied door Dominicuskoor en aanwezigen: ‘Woord dat ruimte schept, toekomst wijd licht land, waar gerechtigheid als rivieren stroomt, waar de wijnstok bloeit, tegen klippen op, toon mij niet vergeefs wat mijn ziel verlangt, geef dat ik volhard in uw vergezicht.’ Weer en opnieuw klinkt het. Het golft door de ruimte en laat deze trillen. ‘Even is het waar… en dan is het weg…’ Het gaat om het moment, weten we nu.
Vervolgens zet Jos van Hest de mensen aan tot het maken van gedichten. Op een speelse manier bouwt hij het op en de prachtigste gedichten ontstaan. Een bloemlezing zal verschijnen in de Dominicuskrant.

Debat

Tenslotte het debat met jonge voorgangers: Jantine Heuvelink, predikant van de Oranjekerk in Amsterdam, Geeske Hovingh van de Ekklesia Amsterdam en de Nieuwe Liefde, Jessa van der Vaart, vrijzinnig predikant en initiatiefnemer van de studentenkerk Amsterdam, Alle Jonkman, predikant van de Protestantse Gemeente Zevenaar en Claartje Kruijff, lid van het liturgisch team van de Dominicus. Dagvoorzitter Arjan Broers probeerde discussie te ontlokken met of-of vragen: spreken we ‘de taal van het geheim’ of eerder ‘geheimtaal’? Maar de panelleleden lieten zich niet verleiden en gaven en-en antwoorden. Claartje Kruijff meent dat je als voorganger alleen kunt aanspreken als je spreekt vanuit je eigen subjectiviteit. Jantine herkent dat, ook vandaag weer: de vorm maakt dat de ene spreker je veel meer aanspreekt dan de andere.
Zo schuift de discussie langzaam weg van het thema ‘taal’ in de richting van de vraag wat de liturgie nog betekent voor mensen van nu. Is de kerk een marginaal verschijnsel geworden, zoals in Zevenaar? Worden we langzaam een reservaat? vraagt Arjan Broers. Nee, zeggen vooral Jantine en Geeske, eerder wordt het een duiventil: mensen komen niet uit gewoonte, maar omdat ze iets komen halen, bij hoogtijdagen bijvoorbeeld, of iets komen brengen: de kerk als plaats van diaconie. En zo is de kerk ook ‘een plaats waar je recht kunt doen aan de ander’ en waar mensen nog kunnen samenkomen ‘zoals ze zijn’.
Kan de Dominicus tevreden zijn, is dit de kerk waar alles klopt? Natuurlijk: ‘het is altijd goed om hier te zijn’ (Geeske), maar voor buitenstaanders is het wennen. Gaat het ergens over, is het niet erg ‘wollig en warm’? Wie jongeren wil blijven aanspreken, moet niet zweverig worden, moet het hebben van maatschappelijke betrokkenheid – en dat moet je durven!

Om herinneren en bewaren

Tot besluit van de conferentie biedt het Nieuw LiedFonds een nieuw lied aan op tekst van Jannet Delver. Wilna Wierenga dirigeert een koor, samengesteld uit leden van diverse koren, en componiste Felicity Goodwin zit zelf achter de piano. ‘Om herinneren en bewaren… Zo zullen wij gaan het stromende leven verstaan.’ klinkt het, en de 4-stemmige canon vult alle hoeken van de in zonlicht badende Dominicuskerk.

Daarna de receptie, met een toespraak van Anne Marie Hoogland, voorzitter van de beleidsraad, waarin ze ontmoetingen en activiteiten van de Dominicus memoreert, het vele dat er het hele jaar door gebeurt en het Open Huis met Kerstmis. En bij alles gaat het erom dat wij elkaar verstaan. Dat is de uitdaging die wij steeds weer met elkaar aan gaan en maakt ons tot gemeenschap. Namens de gemeente neemt zij het boek ‘Verbinden en verdiepen’ in ontvangst uit handen van Gerard Swüste. Er klinkt nog een lied van Huub Oosterhuis en Tom Löwenthal, dat in het boek staat. Tenslotte nodigt Anne Marie iedereen uit om elkaar te feliciteren en een Domini-kus te geven. Een blij en vrolijk einde van het officiële gedeelte waarna iedereen nog lange tijd gezellig geniet van elkaar en van de heerlijke hapjes die door vrijwilligers met liefde zijn klaargemaakt in de keuken van de pastorie.
Onze Dominicus is jarig en wij vieren feest!

 

Dansen in een ruimte van licht en kleur

Tijdens de viering in de Dominicuskerk Amsterdam van 28 december brachten Michael Verheijen en Mathilda van Ameijde van Dans!kerk Psalm 103 in beweging. zie: www.danskerk.nl

Door: Carla van der Heijden

Op de zondag tussen Kerstmis en Nieuwjaar is er nog wat kerstversiering in de Dominicuskerk. We zijn geborgen onder het baldakijn van stralend licht dat vanuit de sterrenhemel als een tent over ons uitgespreid is. Zo zingen we de woorden van Simone Huisman:
‘Altijd Aanwezige cirkel en kern van mijn leven,
jij trekt aan en omhult.
Ruimte van liefde nodig mij uit om binnen te gaan’.

In deze bijzondere viering zal Psalm 103 klinken in woord en muziek en verbeeld worden in dans. Psalm 103 is een lofzang op de Levende. Het gaat over helen, bevrijden, vergeven, groeien, omhullen, meeleven en nog meer. ‘De Levende is een zegen’, zingt de psalmist. Toch is ook voor de psalmist het leven niet alleen maar vreugde en voorspoed, integendeel. Maar de relatie met de Levende blijft bestaan, er is altijd dragende grond. De Levende is altijd aanwezig en is de cirkel en kern van het leven. Wat er ook gebeurd, hoe veel er ook mis kan gaan, ‘de goedheid van de Levende is altijd geweest en zal altijd zijn’. (Ps. 103, vertaling: Gerard Swüste)
Het is te veel om allemaal in woorden te vangen. Lloyd Haft begint zijn versie van psalm 103 met: ‘Meer dan een mond heb ik nodig om u te prijzen’.
Dan is daar de dans. De dans waarin alles samen komt. Een dans zoals het leven zelf, ongekunsteld, vanuit de ziel. Zoals Matisse het geschilderd heeft op zijn grote doeken. Ze openbaren het leven in al zijn eenvoud en puurheid.

De dans begint verstild. Een grote helblauwe doek ligt als een waterstroom, het water waarmee alles begon. Een man zit er naast, gebogen, nog niet opgericht, alsof hij nog beginnen moet, alsof zijn leven nog moet beginnen. Een vrouw komt bij hem zitten en langzaam maar zeker ontwaken zij.
Er ontstaat een wervelend spel van omhullen en bevrijden, afstoten en aantrekken, alleen gaan en samen zijn. Ze dansen het leven, de hoogten en dieptes van het menselijk bestaan. Het blauwe doek vult de ruimte en laat de dansers er in verdwijnen. Zo resoneert Cathedra mee, het intens blauwe schilderij van Barnett Newman. Mirjam Wolthuis zei ervan: “Een doek zo blauw dat je er bijna in verzuipt. Ik voelde me een mensje in een hele grote ruimte, bijna verloren”. Op het schilderij Cathedra zijn twee witte lijnen aangebracht, als een soort houvast, wat tegelijk een verwijzing is naar het goddelijke licht.
Onder een baldakijn van licht en kleur opent de dans een weg naar dat wat groter en dieper is dan wij, naar de innerlijke ruimte van waaruit wij leven, daar waar alles begon. De dans, teder en puur, maar ook vluchtig en vergankelijk, doet ons voor een moment weten wie wij zijn.
Al zingend stemmen we in:
‘Die mij droeg op adelaarsvleugels,
die mij hebt geworpen in de ruimte,
en als ik krijsend viel, mij ondervangen met uw wieken,
en weer opgegooid, totdat ik vliegen kon, op eigen kracht’